Over vulkanen, tempels en cannoli
Wij beginnen onze vakantie lekker wakker met de wekker om half vier en een uurtje later in de auto is het nog steeds half vier; de zomertijd liep vannacht teneinde! Zijn we dus veel te vroeg op Schiphol en zit ik - na een magerder ontbijtje dan we onszelf beloofd hadden - met mijn hoofd tussen de kruimels van een croissant nog half te pitten. Eenmaal in het vliegtuig loopt alles voorspoedig en met de wind mee zijn we eerder dan gepland in Milaan – weet iemand hier nog een leuk, goedkoop hotelletje? – en de vlucht naar Palermo is ook al 10 minuten korter dan voorzien. Ook de tassen en auto hebben we zo en al snel zijn we bereid ons te storten in het avontuur dat autorijden in Palermo heet. Familieleden deden gisteren nog uitgebreid verslag van hún ervaringen met het Palermaanse verkeer en bij een van hen begon het zweet bijna spontaan wéér te stromen. Waar de rijbaan voor 3 auto’s bedoeld is, rijden ze 5 breed en als het ff kan nog 6 breed ook; en de vluchtstrook vrijhouden voor noodgevallen, daar neemt niemand notie van. Wij hoopten op zondagmiddag een ietwat minder druk Palermo aan te treffen, maar voor we het weten, zitten we 5 dik aan te schuiven de stad in. Een afgesloten snelweg blijkt hier weliswaar debet aan, maar nu zijn we gelijk goed ingewijd en weten nu al; dat toeteren is gewoon om de frustraties er even uit te gooien. Op de goede gok – en rechtdoor staat het verkeer bovendien zo goed als stil – nemen wij de afslag Palermo Centro en bevinden ons zowaar gelijk op een op ons summiere kaartje vermeldde straat. Oké! Daar rechts, dan links en dan weer rechts! Dit rechts, links, rechts wordt echter in de war gestuurd door de vele eenrichtingswegen en zo crossen we al snel door smalle en erg smalle steegjes die nergens heen schijnen te leiden en vooral níet op onze kaart staan. We weten echter zeker dat we in de buurt zitten en crossen dus net zo lang door in een soort kringetje – hopen we tenminste – totdat we op een pleintje zitten dat weer wél op onze kaart staat. We zitten nog maar 2 straten van onze b&b-adresje verwijderd en duimen niet weer zo’n verdraaide eenrichtingsweg tegen te komen. Via Garibaldi! Yes, op numero 8 moeten wij zijn bij B&B O’Scia, waar we precies tegenover ons adresje een vrije parkeerplaats vinden – parkeren is een van de grootste problemen alhier – en waar we gelukkig ook nog eens verwacht worden. De kamer is net zo mooi als op de foto en ik wordt met een bijna handkus verwelkomd.
Gewapend met een kaartje vol pijlen en verwijzingen van de patron gaan wij niet veel later Palermo verkennen. Wat een schokkende stad; de sjiekste winkels naast afbraak. Donkere vuile steegjes vol wasgoed en airco’s. En overal vuil op de straten. Snel weg hier zou je denken, maar nee! Een betere blik levert schitterende pallazo op, oude kerken, een indrukwekkende kathedraal, een van de meest bijzondere bomen die wij ooit zagen en natuurlijk de oogverstuikende Capella Palatina. De stad is fotogeniek met zijn mediterane kleuren en moorse en byzantijnse invloeden. Palermo is duidelijk oud, heel oud en draagt sporen van eeuwen en eeuwen verwaarlozing, maar draagt deze verwaarlozing als een ‘grande dame’. Wel zijn we blij een bezoek aan deze onthutsende stad aan het begin van de vakantie gestopt te hebben en we zijn zéker blij hem niet overgeslagen te hebben!!!!
Na een lange wandeling nemen we een verfrissende douche – na een dutje overigens – om nog een hapje te eten en dan gaan we met de kippen op stok. De straat waar wij aan slapen leek zo rustig vanmiddag, maar hoe later hoe drukker. Ik heb het idee dat ze met auto’s aan het smijten zijn.
![]()
De volgende morgen staat onze Nissan Micra nog gewoon op zijn plekje en kunnen we met een gerust hart genieten van een wel érg uitgebreid zoet ontbijt. Waarna weer een wandeling door de stad op het programma staat, want we moeten van mijn broer het kasteel van de Noormannen en de zich daarin bevindende kapel bekijken.Voordien nemen we nog een kijkje in La Mortanara; een mooi kerkje aan een nóg mooier pleintje met daarnaast nóg een kerkje, getooid met 3 vreemde rode koepeltjes. Het Paleis van de Noormannen wordt heden nog gebruikt als regeringsgebouw, dus op eigen houtje rondlopen is er niet bij! We sluiten ons aan bij een groep schoolkinderen, die – zeker voor Nederlandse begrippen – toch vrij rustig en oplettend zijn, maar de gidse niettemin bijna tot ontploffing brengen. Het bouwwerk zelf is eigenlijk interessanter dan de inrichting, behalve dan die schitterende mozaïeken in de slaapkamer van Frederik de Tweede (waarvan geen foto’s gemaakt mogen worden) en de gehele Capella Palatina!! Wauw! It has to be seen to be believed.
Daarna proberen wij nog en van de drukke markten van de stad te vinden en kunnen ons in deze wirwar van straten en steegjes al aardig oriënteren. Maandag is echter geen marktdag, die paar kraampjes die wij zagen tellen we niet mee. Dan maar lekker lunchen, de auto opzoeken en eens kijken of we een beeje voorspoedig de stad kunnen verlaten richting Cefalú. Eenmaal links en eenmaal rechts en we zitten al op de kustweg in oostelijke richting. Al lezende constateer ik dat deze kuststrook vooral volgebouwd en geïndustrialiseerd is, dus duiken we de snelweg op en zijn alweer snel in Celafú waar we belanden in Hotel Giria midden in de oude stad; weer met steegjes en slopjes; ditmaal echter geen donkere, deprimerende hoekjes en gaatjes, maar een mooi oud stadje met een mooie kathedraal; dramatisch gelegen beneden La Rocca. Cefalú is mooi, dus toeristisch, maar ook gezellig en schitterend vanaf het water.
Overal waar we mannen in pak bij elkaar zien, menen wij; maffia! En als Chris overdenkt het vreemd te vinden niet met de creditcard te kunnen betalen; wijs ik naar de 3 mannen in pak naast ons aan tafel: "Wanneer alles met een creditcard betaald wordt, kunnen zij het beschermgeld (pizzo) niet innen." Wij daarentegen ‘inneren’ als dolci chocoladetaart. Heerlijk, maar hellup!!! Morgen maar wat flinke wandelingen maken in het park Monte Madonie.
![]()
We ontbijten de volgende morgen op het pleintje voor de kathedraal; de lokatie kon slechter. Voor vertrek maken we nog wat foto’s van het zeezicht van Cefalú. ’s Avonds ziet het er een stuk romantischer uit, maar het lukte ons niet een goede nachtopname te maken. Een handleiding lezen is nooit weg!! Dan rijden we – gewapend met een kaart van het park Monte Madonie – weg van de kust de bergen in. En wat voor bergen; imposante rotsklompen, waarvan de hoogste zo’n 1900 meter is. De eerste stop is Gibilmannia; een bedevaartsoord. Het Mariabeeld in de kerk zou tekenen van leven hebben gegeven en twee blinden en een dove hebben genezen. Het Vaticaan heeft dit zelfs bevestigd! Wij gaan echter voor een korte, stevige wandeling richting een soort weerstation, waarbij wij ons verbazen over het grote aantal bloemen dat hier staat. De lucht begint intussen wat te betrekken, wat echter wel past bij dit ruige landschap.
Dan rijden we via Isnello en wat piano’s richting Petralia Soprano en Sottano en maken onderweg nog een mooie wandeling door een heel herfstig bos; niet alleen qua kleur, maar ook qua wind. Je waait bijna uit je vestje, terwijl de lucht nóg een beetje meer vertrekt. Wij hebben precies het juiste moment gekozen om om te keren, want bijna bij de auto begint het te miezeren.
De weg voert verder door een schitterend landschap en zowaar langs een klein skigebiedje (2 hellingen). Aan de geplaatste stokken te zien, kan hier veel sneeuw vallen; de stokken zijn wel 2 meter hoog. Het dorpje Petralia Soprano ziet er schattig uit, maar eventjes maar, want algauw verdwijnt het dorpje in de mist en gaat het steeds harder regenen. Oeps!!! Toch hebben we een klein rondje door het dorpje gemaakt en daarna – inmiddels in de mist én stromende regen – naar het wat grotere Petralia Sottano gereden in de hoop onderdak te vinden. Albergo Il Castello moet leuk zijn en staat gelukkig goed aangegeven. Intussen – het is bijna niet mogelijk – regent het nog harder en zijn de straten hier veranderd in snelstromende beekjes. We zetten de auto voor de albergo neer en wachten op een wat drogere bui, want de albergo ziet er erg dicht uit. Die drogere bui blijft echter nog even uit en de regen verandert zelfs in hagel. Wel hebben wij een telefoonnummer van deze albergo, maar helaas niet het goede. Als de regen dan toch eindelijk mindert, loop ik naar de deur en druk op wat bellen. Niente! Er staan echter ook nog wat telefoonnummers naast de deur opgeschreven, dus gaan we die maar proberen. Ik moet echter ff wachten, want Chris heeft zijn Pa aan de lijn. Intussen arriveren wel andere gasten, dus gelukkig is het hotel open en liggen we enige tijd later op te drogen op de kamer.
De restaurants gaan pas open tussen half 8 en 8 uur, dus maken we nog een mistige wandeling door het duistere Petralia Sottano, waar het op straat opvallend druk is. Wordt het noodweer van zoëven besproken of is een avondwandeling de gebruikelijke gang van zaken hier? Ook opvallend vinden we het grote aantal mannen dat samen met ons aan het eten is: de Italiaanse vrouw staat toch bekend om haar lekkere eten? Ik eet kotelletjes van het zwarte varken dat in de bergen van Madonie en Nebrodi veel voorkomt, waarschijnlijk gevoed met de grote verscheidenheid aan paddestoelen dat daar eveneens veel voorkomt.
![]()
Behoudens wat hardnekkige wolken is het de volgende morgen weer heerlijk zonnig en rijden we nog een keertje terug naar Petralia Soprano om het dorpje nu eens fatsoenlijk te bekijken!! Wat een hoop kerken hebben ze hier!! Qua oppervlakte is er bijna net zoveel kerkvloer als werkvloer….. Liet iedere pastoor zijn eigen kerk bouwen of iedere opeenvolgende veroveraar van het eiland? Arabieren, Noormannen, Fransozen, Spanjaarden, Duitsers, de Italianen zelf en voor in het rijtje horen natuurlijk ook nog de Grieken en Romeinen; allemaal hebben ze het eiland iets nagelaten. Ook zijn vele kerken?
Via de SS113 willen wij onze weg vervolgen richting Park Nebrodi, maar voor we het weten zitten we weer in Petralia Sottano, daar waar we vanmorgen begonnen zijn. Hè? Dan maar weer een rondje maken en deze keer zitten we zowaar op de goede weg. Als het zonnetje zich blijft handhaven, stappen we bij wat indrukkwekkende rotspartijen uit voor een wandelingetje; eindigend bij een hele kleine woongemeenschap. Nu verlaten op wat bange, doch nieuwsgierige viervoeters na.
Onze volgende stop is Gangi, alweer een stadje tegen een helling gebouwd met natuurlijk boven alles uitrijzend de toren van een (van de vele) kerk. Gangi is een rustig provinciestadje, waar ze bij de koffie heerlijke koekjes serveren. Onze eerste kennismaking met cannoli; krokante rolletjes gevuld met zoete ricotta. Gelukkig hebben we een stevig gebit, maar lekker is het wel!
De SS113 is één grote slinger, waar ze volgens ons geheel overbodig borden neerzetten die een scherpe bocht aankondigen. Het zijn allemaal scherpe bochten! Verschijnt er achter de volgende bocht weer zo’n mooi bergdorpje?? Nicosia bijvoorbeeld; meer een stad dan een dorp, maar volgens hetzelfde principe. Gebouwd tegen en op een heuvel, bekroond met een kerk. Een oude, hele oude kerk ditmaal. Wij hadden hier een uitgebreide lunch gepland, maar de in overvloed aanwezige oude pallazo herbergen geen van allen iets wat lijkt op een trattoria. Zitten we misschien niet écht in het centrum? Op het voor ons centrale plein is echter wel een terrasje, waar we een stukje pizza of een broodje kunnen krijgen. Ook goed toch?
In de buurt van het stadje Cesaro hopen wij te kunnen overnachten in Villa Miraglia. Voor de zekerheid zoeken we nog even het kantoor van het Park Nebrodi op – hevig onder constructie op dit moment – om te checken of Villa Miraglia nog wel open is, want even goed lezen leert mij dat ‘de villa’ niet in enig dorp ligt, maar een oude jachthut is die midden in de bossen ligt. "Ja", wordt ons verzekerd, "de villa is open!" en "Nee", wordt ons eveneens verzekerd we hoeven niet te bellen om te vragen of er nog plaats is.
Een rit door schitterende bossen brengt ons bij een doodstil Hans-en-Grietje-huisje; knibbel, knabbel, knuisje. Wie knabbelt er aan mijn huisje? De bewoonster is echter geen lelijke heks, maar een jonge man die toch schijnbaar doelloos de hele dag heeft moeten zitten wachten op die eventueel nog verschijnende gasten. Wij dus!!!!! Echter; de bbq buiten is klaar voor gebruik en in de open haard knappert een gezellig vuurtje. Je kijkt je ogen uit naar alle spulletjes die hier de wanden en gangen sieren en dan heb ik het al helemaal niet over die schitterende deuren. Heel eenzaam en alleen voelen wij ons toch welkom en zitten een paar uur later nog steeds even eenzaam en alleen achter een bord heerlijk bbqd vlees en vragen we ons af; wat loont de moeite om deze toko het hele jaar open te houden? Toevallige toeries zoals wij of wordt het knibbel-knabbel-huisje nog steeds gebruikt als basis voor jachtpartijen? Of komen in het weekend de Sicilianen hier met de kids eten en wandelen; er is hier namelijk een soort mini-‘streichelzoo’ compleet met konijnen, een ezel en een hert. De hokken zouden iets ruimer en schoner kunnen, maar gezien de excrementen verspreid over het terrein wordt het een en ander soms gelucht. Wij liggen natuurlijk weer met de kippen en de laatste Harry Potter op stok en hebben ons voorgenomen morgen een fikse wandeling te maken in dit schitterende, bosrijke gebied.
![]()
De volgende morgen regent het echter met regelmatige tussenpozen en dat wandelt niet fijn. We besluiten daarom niet nóg een nacht hier te blijven, maar verder te trekken richting Milazzo en eventueel ‘on the road’ een wandeling te maken. Dit ‘on the road’ een wandeling maken, valt een beetje in het water. Regent het niet, dan is het wel mistig of loopt er een korte wandeling tussen 2 meanders van de weg door, wat niet echt een wandeling genoemd kan worden met asfalt aan beide zijden. Zo meanderen wij langzaam Nebrodi uit en verbazen ons – na het optrekken van de laatste mistflarden – over de enorme bossen hier. Langzaam naderen we de kust en wordt het ons inziens minder mooi. En als we even later weer terug de bergen inslingeren richting Alcari di Fusi zitten we weer snel in die machtige bergen.
Toch voert de weg ons weer terug naar de kust richting Capo d’Orlando. Capo d’Orlando is een bekende badplaats, maar nu ‘off season’ is het een dode boel en vrezen wij onze lunch door de neus te kunnen boren. Een straat weg van de zee – het waait hard vandaag! – leeft het stadje echter nog en nuttigen wij toch wat pasta tussen wat drukke Italiaantjes.
Voorbij Capo d’Orlando slingert de SS113 zich langs nu wel een schitterende kust, maar in al dit slingeren gaat best veel tijd zitten en we willen vanavond nog naar Milazzo. Dus pakken we het laatste stuk snelweg. Milazzo wordt beschreven als zijnde niet de mooiste stad van Sicilië. Het ziet er vooral niet apetijtelijk uit wanneer je de stad binnenrijdt; hoge en vele rokende schoonstenen van de petrochemische industrie. Wellicht heeft de nabijheid van het Italiaanse vasteland hier mee te maken. Wij hebben in Milazzo ons oog laten vallen op Hotel Petit; gunstig gelegen tegenover de pier vanwaar de draagvleugelboten richting de Liparische eilanden vertrekken. Nu alleen de juiste plek nog weten te vinden, want Milazzo is een grote stad. Maar de stad ligt op een schiereiland en met water in de buurt is het redelijk makkelijk oriënteren. Inderdaad hebben we het hotel zo gevonden en ze hebben ook nog een vrije kamer.
Milazzo bij nacht blijkt helemaal niet zo onaantrekkelijk als gedacht of verwacht. Boven de stad verrijst een enorm fort en de Spaanse wijk daarbeneden is mooi en zeker voor Siciliaanse begrippen nog vrij intakt. Het is even zoeken naar een restaurant, maar ik denk dat we toch het leukste en lekkerste in town hebben gevonden. Het is eigenlijk een restaurant annex wijnbar (enecoita) en we worden heerlijk verwend met allerlei kleine hapjes en lekkere wijntjes. En bij het dessert wordt een glas Malvasia aanbevolen. Proost!!!!
Niet te laat naar bed natuurlijk, want morgen hebben we al om 7.25 de boot naar Stromboli. De auto staat veilig in de garage van het hotel en de overbodige bagage ergens in een kamertje, zo kunnen we lekker licht bepakt de Liparische eilanden bezoeken.
![]()
De eerste stop van de draagvleugelboot is Lipari en dat ziet er aantrekkelijk uit vanaf het water en gaat we later ook nog zelf ontdekken. De volgende stop is Vulcano; nee midden op zee, dobberend tussen Lipari en Vulcano; mét panne!!! Een hoop heen en weer geloop tussen stuurhut, machinekamer en de kont. De motor of motoren klonken zeker niet fris en het euvel kan niet verholpen worden, dus pruttelen we naar Vulcano en krijgen daar te horen dat de boot niet verder gaat. Oeps!!!
Wat nu? In eerste instantie wordt verteld dat er vandaag helemaal geen boot meer gaat richting Stromboli. Een tijdje later horen we dat er ’s middags tóch nog een boot richting Stromboli blijkt te gaan. We besluiten echter op Vulcano te blijven, anders zijn we straks de hele dag alleen maar aan het wachten en reizen. Het vinden van accommodatie op Vulcano is echter minder gemakkelijk, want bijna alles is al gesloten en soms zelfs met kranten dichtgeplakt. Navraag levert twee adresjes op; een herberg en een hotel. De herberg kunnen we niet vinden en het hotel blijkt te zitten pal naast het kantoortje van Siremar, waar wij eerder ons geld terugkregen voor de niet-reis naar Stromboli. Het hotel is ongezellig, maar de kamer is schoon en we hebben een groot balkon met zicht op zee. Het inchecken duurt even, omdat we een hele boze Israeli voor de neus hebben staan, maar eenmaal op de kamer trekken we de bergstappers aan om de vulkaan van Vulcano te beklimmen. Nog geen 400 meter hoog en inactief rijst hij toch majestueus boven Vulcano uit; rook en zwavel uit zijn flanken spuwend; de zogenaamde fumeroles!
We zouden ergens eigenlijk wat moeten betalen om de vulkaan op te mogen, maar ook dat is blijkbaar seizoensgebonden, dus kost het ons alleen ons luie zweet om bovenop de kraterrand bijna uit je vestje te waaien. Ik vind het zelfs té hard waaien en weiger de hele kraterrand te ronden; Chris loopt echter wel een stukje door en houdt al snel een zakdoek voor de mond, want de wind waait álle zwaveldampen het pad over. En er werd gewaarschuwd niet te dicht in de buurt van de fumeroles te komen, want deze zwaveldampen zijn giftig.
Terug beneden lopen we naar de andere kant van het eiland, hetgeen geen prestatie is, want het eiland is hier hoogstens een paar honderd meter breed. Het strand en de hotels aan de ‘andere’ kant van Vulcano zijn allemaal leeg en verlaten en stralen iets triests uit, maar misschien komt dit ook door het zwarte strand en de sombere – steeds donker wordende – lucht. Terug in het ‘stadje’ blijkt het nog wel érg vroeg, dus kom ik op het lumineuze idee de bus te nemen naar Piano Vulcano. Het hogere deel van het eiland waar de mensen – weg van de toeries – hun normale leven leven. Een rustig, heel rustig leven; waar wij een dorp verwachten liggen slechts wijd verspreide woningen, waarvan er veel leeg lijken te staan. Het wordt een beetje saaie wandeling, mede door het even saaie weer. De bus is precies op tijd om ons terug te brengen naar de haven, waar een late siësta gehouden wordt, alvorens op zoek te gaan naar iets te eten. Waarbij wij vrezen dat ook de meeste restaurants gesloten zijn. Precies tegenover elkaar zijn echter nog twee zaakjes open en wij gaan voor de gezelligst ogende tent, waar wij de enigste klanten van de avond blijken en blijven. Twee klanten meer dan aan de overkant, waar – goed in de gaten gehouden door onze uitbater – niemand komt opdagen. Als enigste klanten worden wij wel heerlijk verwend en eindigen de maaltijd weer met een overheerlijke malvasia van Lipari. Het waait inmiddels nog steeds stevig en wij zijn benieuwd wat de dag van morgen gaat brengen; op Stromboli was het nu ook geen lolletje geweest.
![]()
Na een echt italiaans ontbijt – koffie plus croissant – vertrekken we de volgende morgen richting Lipari, waar het een stuk drukker en levendiger is als op Vulcano. Klantenlokkers wachten ons op bij het aanlegsteiger van een nu goed functionerende draagvleugelboot om ons een kamer aan te bieden. Wij hebben echter al twee adresjes op het oog; een hotel of een B&B. Een van de mannen is erg hardnekkig, ook als wij beweren al onderdak te hebben voor vanavond. Is het een trucje of niet? Hij tovert een blaadje tevoorschijn met daarop een naam: "Zijn jullie dat misschien?" Wij vermoeden dat hij zo met ons in gesprek wil blijven om ons alsnog over te halen zijn adresje als onderdak te kiezen. Eindelijk geeft hij de moed op en horen wij even later in onvervalst en duidelijk Engels: "Where you looking for me?" Diana Brown! Echt op zoek naar haar waren we niet, maar haar B&B staat wel bovenaan ons lijstje en zij heeft een vrije kamer dus – bijna – hollen we achter haar aan en worden we even later overgedragen aan een eveneens hollende echtgenoot; in de haven wordt een groot schip met potentiële klanten verwacht. Lopend door de hoofdstraat van Lipari stad komen wij verschillende andere toeries tegen en iedereen schijnt bij Diana Brown te logeren. "Not today?" Nee, vandaag geen excursie naar de Stromboli vanwege de Sirocco; die vervelende wind van gisteren.
De B&B is buitengewoon oké, dus installeren wij ons en trekken wat frissers aan een gaan daarna Lipari town verkennen.
Al bij het binnenvaren van de baai waarin de stad gelegen is, kun je niet om de massieve rots heen die de stad in tweëen schijnt te delen. Boven op deze rots – waar anders – bevindt zich een enorme kerk en het archeologische museum. De historie van Sicilië én de Liparische eilanden is oud, heel oud en een reis door zijn geschiedenis levert de ene na de andere veroveraar op. Ergens op deze rots in Lipari bevinden zich opgravingen aan de hand waarvan overige vondsten in het gehele Middellandse Zee-gebied gedateerd kunnen worden. Wij staan een tijdje bij zo’n opgraving – misschien wel dé – te kijken en het bord waarvan ik in eerste instantie dacht dat het beklad was met grafitti geeft de verschillende periodes van bouw aan. Eerlijk gezegd zien wíj geen verschil tussen de ene hoop stenen en de andere; wij zijn dan ook duidelijk géén experts! In de tegenoverliggende dom vindt Chris eindelijk zijn échte kaarsen en is een aanhalig katje het hulpje van de koster.
Lipari is een charmant stadje met weer smalle steegjes en straatjes; echter nu zonder steegje of sloje waarbij je je afvraagt; Hoe kan iemand híer leven?
Natuurlijk wordt de haven niet overgeslagen en terwijl de vissers hun netten boeten, drinken wij een kopje koffie en genieten van het zonnetje. We hebben bedacht nogmaals de bus te nemen. Het eiland helemaal rond – zoals wij hoopten – gaat echter niet, dus rijden wij in noordelijke richting mee naar Aqcuadulce, waarbij wij een goede blik krijgen over de overige Liparische eilanden en we in de verte ook de Stromboli zien liggen. We komen langs een enorme – al eeuwenoude – mijn waar puimsteen gewonnen wordt. De puimsteen en het veel waardevollere obsidiaan waren redenen voor zeerovers om dit eiland aan te vallen en is tevens de reden waarom de stad Lipari zo’n doolhof van straatjes en steegjes is; zo is de stad beter te verdedigen. De beruchte piraat Barbarossa heeft Lipari ooit veroverd. Barbarossa? Loopt die kerel niet rond in de Pirates of the Carribean? De Cariben zijn een heel eind verwijderd van Lipari!!!!
Wij blijven op het eindpunt gewoon in de bus zitten en stappen uit in Canetto, waar hét strand van Lipari zich bevindt en waar inderdaad op een kiezelstrand een paar dappere dodo’s aan het zwemmen zijn. Wij hopen hier echter te lunchen, hetgeen niet gaat lukken, want bijna alles is gesloten. Op de bus wachten hebben wij eigenlijk geen zin in, dus bestellen we een taxi en – écht waar – ons eerste ijsje van de vakantie. Chris keek tot nu toe met veel argwaan in de bakken; het ijs blonk hem teveel!!
Terug in Lipari town nuttigen wij onze late lunch op hetzelfde terras waar wij eerder op de dag koffie dronken. De salade is wel erg enorm, maar langzaam aan; het is hier gezellig. Dit pleintje met haventje lijkt wel de verzamelplaats van de lokale bevolking voor een gezellig praatje of een heftige discussie, terwijl de vissers onverstoord hun netten blijven boeten.
Onder het lopen, bussen en lunchen door wordt er door ons stevig nagedacht; blijven we nog een extra dag op Lipari en gaan morgen mee naar Stromboli of gaan we morgen terug naar Milazzo. Chris is tegen blijven; ik ben voor! Oké, we zitten krap in de tijd, maar lopen al voor op ons denkbeeldige schema, doordat we maar 1 nacht in Villa Miraglia in Nebrodi zijn gebleven in plaats van 2 nachten. En er is morgen mooi weer voorspeld; wie weet wat de komende dagen verder nog gaan brengen. Op Sardinië stromen ze van het eiland af en in de rest van Italië is het weer al niet veel beter. Wel, niet, wel niet! Als wij besluiten tot wel wordt ons de beslissing uit handen genomen tot morgenvroeg; Il Massino – de organisator van de tour naar Stromboli – zou nog open moeten zijn, maar heeft zijn deuren al gesloten.
Na onze gebruikelijke late siësta gaan we eten bij restaurant Kasbah; een prima keus!! Een heel mooi restaurant en net als in Milazzo worden we weer heerlijk verwend. En ik zeg het nogmaals; de malvasia van Lipari is goddelijk.
![]()
Na het ontbijt op het dakterras de volgende morgen, gaan we nog maar eens horen of we mee kunnen naar de Stromboli. Er mogen namelijk maar 20 personen per gids mee de berg op en dat aantal is eigenlijk al bereikt. Pas om 10 uur is er iemand bereikbaar en ze gaan vragen of er misschien een keertje wat meer mensen mee mogen. Wij hebben de tassen zó gepakt dat we nog twee kanten op kunnen; Stromboli of Milazzo. Omdat 10 uur nog eventjes duurt maken we nog een rondje door de steegjes en slopjes van Lipari en terug bij Il Massimo blijken we mee te kunnen de Stromboli op. Jippie!! Nu moeten we alleen de kleine rugzakjes aanvullen met wat eten en drinken, want de lunch en het ‘diner’ moeten wij vandaag zelf ‘verzorgen’. De boot de Dolce Vita vertrekt van de kleinere haven; het is vandaag een perfecte dag en aangezien wij met minder weer uit Milazzo vertrokken, liggen onze petjes nog in de auto te liggen en zitten wij nu onze dakpan te verbranden. Druppelsgewijs zien wij onze medegasten van de B&B verschijnen naast een grotere groep Duitsers die hier een cursus Italiaans volgen. Wat heeft het beklimmen van een vulkaan te maken met Italiaanse les? Dat is ons een raadsel, want bergop komt men meestal niet verder dan hijg, hijg en bergaf is men nog moe van het bergop.
De boot naar Stromboli had iets comfortabeler kunnen zijn, in die zin dat de snelle open boot je bijna de rimpels uit het gezicht doet waaien. Ook zetten wij onze vraagtekens bij de stop op het eiland Panarea; een half uur om een eiland te bekijken? Wij doen geen poging en strijken op een terrasje neer voor een zoveelste kopje espresso. Tussen neus en lippen door hoor ik dat niet iedereen van de groep Duitsers helemaal mee omhoog de Stromboli opgaat; 924 meter!!! Op zo’n 400 meter bevindt zich de zogenaamde Sciara del Fuego, vanwaar men ook een mooi uitzicht op het ‘vuurwerk’ zou hebben. Dit gegeven knoop ik goed in mijn oren.
Langzaam komt de bijna perfecte kegel genaamd Stromboli dichterbij, tot wij met het hoofd in de nek tegen een grote berg aankijken. Oeps! Moeten wij daarop. Jazeker! Maar eerst worden wij door de kapitein van de Dolce Vita in rap tempo door het dorpje Stromboli geleid op weg naar Magmatrek, waar wij ontvangen en gecontroleerd worden door een gids. Heeft iedereen de juiste schoenen aan en water en eten bij zich? En een zaklamp? Iedereen krijgt een helm uitgereikt en twee mensen moeten zelfs hun schoenen gaan wisselen. Bij protest wordt er kort maar krachtig gezegd; "No shoes, no go!!" Ook protesteert iemand dat hempje toch écht niet op te zetten. Ook hier wordt verklaard: "No helmet, no go!" Zo, ze nemen de zaak serieus op, wat ook te merken is aan het intensieve radiocontact tussen de gidsen onderling en wie weet wie nog meer. Als iedereen gehelmd en geschoend is gaan wij op weg; 924 meter klimmen, waarvan we er gelukkig onderweg door het dorp al een paar van gehad hebben. Ik ben uiteindelijk degene geweest die graag deze berg op wilde, maar tijdens de pauze op 300 of 400 meter heb ik gedacht; "Van Deurzen, waar ben je nu weer aan begonnen!" en ook Chris had zo zijn twijfels aan de lol van het hele gebeuren. Met zijn tweëen lassen wij heel wat meer pauzes in, maar nu moeten we bij de groep blijven en zijn afhankelijk van de pauzes van de gids. Waarbij voorop gesteld moet worden dat het tempo zeker niet hoog ligt en werp ik een blik naar de kop van het groepje zie ik daar de gids op zijn dooie akkertje naarboven kuieren, terwijl ik al mijn krachten aan moet roepen om netjes in het rijtje te blijven. Waar halen al die andere mensen hun conditie vandaan? Sporten natuurlijk, hetgeen bij ons een beetje op een erg laag pitje staat. Achteraf blijken de eerste paar honderd meter echter het zwaarst en alhoewel de laatste honderden meters nog steeds geen peuleschilletje zijn zijn ze niet meer zo steil. En wanneer we voor de laatste bocht voor de kraterrand nog net een uitbarsting zien, is veel leed alweer vergeten.
Buiten eten, drinken, goede schoenen en een lamp, moest men ook zorgen voor droge kleding. Net voor de top is een soort shelter gemaakt, waar wij nu de gelegenheid krijgen van kleren te wisselen, want zowel t-shirt en bovenkant spijkerbroek zijn inderdaad kletsnat van de inspanning. Chris en ik slaan dit goedbedoelde advies echter in de wind – of zijn gewoon te moe voor die extra inspanning – en trekken de droge kleren over de natte aan. En dat was geen slimme zet!!!!
Dan gaat het nog een 30-tal meter omhoog en staan wij op het topje van de Stromboli; een driewerf hoera voor mijzelf. Beneden ons ligt de krater van de vulkaan waarin wij twee brandende lichtkegels zien waaruit regelmatig een dof geluid klinkt. En eens in de zoveel minuten spuit uit een van de kegels - of zomaar uit onverwachte hoek - een fontijn van lava de lucht in. "I am happy", hoor ik iemand naast me zeggen. Ik ook!! Het geheel is misschien niet zo spectaculair als verwacht, maar de gedane inspanning, het zien van een werkelijk actieve vulkaan en de zon die langzaam in de zee zakt, maakt van het geheel een onvergetelijke gebeurtenis. Opeens verschijnt er een groot cruiseschip en wanneer er op dit schip geblazen wordt, zien we overal vanaf de dekken verre, kleine lichtflitsen. Zouden zij ook onze flitslichten zien?? Het is een mooi gezicht en we vergeten eigenlijk wat te eten en te drinken, want we hebben straks nog wat energie nodig om deze berg weer af te dalen; in het aardedonker!!!!! Maar eerst nog een paar uitbarstinkjes!
Chris vindt het op een gegeven moment tijd worden weer naar beneden te gaan en blijkt zich achteraf ook best wel zorgen gemaakt te hebben over deze afdaling. Ik ben meestal de angsthaas met dalen, maar bedacht nu zo; als er kinderen mee die berg opgenomen worden, kan het afdalen in het duister nooit zo erg zijn. En dalen we af – zoals we vermoeden – in de rulle lava dan is het meer afglijden dan afdalen. Het feit dat de gids zo streng was wat de schoenen betrof omdat we op een gegeven moment een helling van zo’n 42% afmoeten, heb ik maar even naar een ver hoekje van mijn geheugen geschoven. En misschien is het maar goed dat we in het duister afdalen, want dan zién we die 42% tenminste niet!!!! Mijn stokken liggen nog veilig in de auto, maar gelukkig had Magmatrek genoeg stokken voor iedereen. Het tempo af ligt aanzienlijk hoger dan op – hoe kan het ook anders – en inderdaad glijden we het grootste gedeelte met de hakken diep in het lavagruis naar beneden. Het tempo ligt niet alleen hoog vanwege de eerdergenoemde steilte, maar ook omdat er beneden een zenuwachtige kapitein op ons staat te wachten. De Sirocco – die ons al enkele dagen teistert – is weer opgestoken en op Stromboli is geen haven waar geschuild kan worden. Het piertje waar wij weer in de Dolce Vita moeten stappen ligt onbeschut in de golven en bij teveel wind is het bijna onmogelijk iedereen weer veilig aan boord te krijgen. Maar daarvan hebben wij tijdens ons afdaling nog helemaal geen weet en stappen dapper voort in het donker. Wij moeten er mooi hebben uitgezien met al die lichtjes, want wanneer wij terug omhoog kijken zien wij de tweede groep die boven ons afdaalt als een slinger lichtjes in het duister. Terug bij Magnatrek is het snel alle materialen inleveren, de gids op de valreep nog even bedanken en snel, snel naar de haven. De gids heb ik overigens tijdens een pauze in de beklimming – had ik mijn adem niet beter kunnen sparen – lastig gevallen met een nog steeds onbeantwoorde vraag. Stromboli werd al in de vroegste tijd gebruik als uitkijkpunt. Vanwege zijn ligging en hoogte konden vijanden van alle kanten al van verre gezien worden. Lipari was een zeer geliefd eiland vanwege de aanwezigheid van de aanwezige puimsteen en obsidiaan. Werden er bij het zien van vijeanden van de Stromboli tekens gegeven aan de andere eilanden of stormde men de berg af en roeide in vliegende vaart naar het nabijgelegen Panarea of het verdere Lipari? Mijn ironisch bedoelde vraag was; Als men bijvoorbeeld van Stromboli rooksignalen gaf om de andere eilanden te waarschuwen, werden deze dan niet soms verward met de rook van de vulkaan?" De vraag is nooit goed aangekomen en dus ook nooit goed beantwoord. Wel wist ik die ene rustpauze een beetje te rekken; echter ten koste van een volgende!!!!!
Gelukkig zitten we allemaal weer veilig in de Dolce Vita en kan de terugweg naar Lipari beginnen, iedereen moe maar voldaan en in gedachten verzonken. Ik moet eerlijk zeggen dat ik dit het enerverendste deel van de hele tocht vond, want wanneer je bijna opgejaagd wordt door twee gehaaste en eentje bijna angstig uitziende ervaren zeelui (dat hoop ik dan toch!!), is dat toch niet geheel geruststellend. Zeker wanneer je bij een redelijke zeegang in een klein open bootje in het duister op die grote Middellandse Zee aan het varen bent. Maar we zijn goed aangekomen in Lipari; verwaaid, vermoeid doch voldaan. De meegenomen mondvoorraad voor vandaag was nog bijna geheel intact, dus na een verfrissende douche en té lui om überhaupt nog het ene been voor het andere te zetten hebben wij op de kamer zitten picknicken. Morgen gaan we weer naar Sicilië op weg naar de volgende vulkaan, die gelukkig niet helemaal beklommen kan worden.
![]()
Om kwart over negen de volgende morgen hebben wij de boot terug naar Milazzo. Het zonnetje schijnt weer, maar in de verte komen toch een paar wolken aanzetten. Toch handig dat we in Milazzo onze resterende bagage en de auto zo lekker dicht bij de pier hebben kunnen zetten en voor we het weten koersen we de stad alweer uit; richting binnenland, richting Etna. Het weer wordt wel steeds somberder, maar tot nu toe blijft de regen uit en levert het wel hele mooie plaatjes op. Want eenmaal weg van de kust zit je gelijk weer in de schitterendste natuur. Ons doel is om vanavond in een plaastje vlakbij de Etna te overnachten en onderweg nog de Gola del Alcantara te bekijken; een bizar gevormde lavakloof waarin je ’s zomers lekker rond kunt waden in het ijskoude water. Het is jammer dat we ook nu niet de kloof inkunnen (er is niets meer geopend en er wordt dus ook niets meer verhuurd om mee te ‘waden’), want de ingang van de kloof ziet er interessant genoeg uit om ook verder een kijkje te nemen. Nu kunnen wij alleen maar vermoeden hoe het er verderop uitziet en hebben meer werk met het afdalen in en klimmen uit de kloof dan met het bekijken ervan. En misschien is het maar goed dat we de kloof niet inkonden, want eenmaal terug in de auto betrekt de lucht aardig en eenmaal op een iets verderop gelegen terrasje geïnstalleerd voor de lunch, begint het zelfs te plenzen. Volgens de eigenaar van het restaurant is die bui weer over als wij uitgegeten zijn en inderdaad is het na een lekkere lunch weer gewoon droog en alhoewel het die dag nooit echt zonnig wordt, blijft de regen verder uit. Wij wilden eerst overnachten in de Refugio aan de voet van de Etna, maar ervaringen leerden ons dat het eigenlijk gezelliger is in een stadje te overnachten, dus hebben wij besloten Hotel Airone in Zaffarena Etnea op te zoeken; een flink hotel dat echter niet in het stadje maar erboven blijkt te liggen. Wij hebben echter nog zoveel Stromboli in de benen zitten dat we vooral erg lui zijn en als we dan ook nog gebruik blijken te kunnen maken van bubbelbad, turks bad en sauna blijven we vanmiddag lekker relaxen in het hotel en voor het eten hoeven we ook de deur niet uit. Een lekker lui middagje met weer een lekkere maaltijd tot besluit.
![]()
Na het ontbijt met eens een hartig eitje (wij verlangen eigenlijk allebei naar een hartig ontbijt; de Italianen houden het vooral bij een kopje koffie met wat zoets; wij willen oude kaas!!!) rijden we door het schitterende landschap dat de Etna omringt. Zwarte ruige lavavelden worden afgewisseld door schitterende bossen en was het gisteren toch een vrij somber dagje, vandaag is de lucht weer heerlijk helder blauw. Op ongeveer 1900 meter bevindt zich een kabelbaan waarmee je verder de berg op kunt. ’s Winters is dit zelfs een klein wintersportgebiedje, hetgeen we ons slecht kunnen voorstellen; alles is nu zwart en dat zou over een paar maanden wit moeten zijn? Zo te zien ligt er überhaupt geen sneeuw op de Etna, terwijl wij diverse mensen hebben gehoord die zelfs midden in de zomer in de sneeuw rondliepen. Hoezo opwarming van de aarde? Wij kopen tickets voor de gondel en de bus boven. Zelf 600 meter klimmen hebben we even nog geen zin in. De gondel lijkt oostenrijks met dit verschil dat wanneer er in Oostenrijk een nieuwe kabel getrokken wordt, de oude hoogstwaarschijnlijk netjes verwijderd wordt, terwijl hier de oude kabel gewoon onder de lift ligt weg te roesten. Viva Italia!!! Op 2500 meter stappen wij over in bussen met enorme wielen en hotsenbotsen door een gitzwart landschap verder naar boven. Vóór de uitbarstingen van 2002 en 2003 mocht men helemaal naar de top van de Etna, maar omdat er toen zelfs toeristen zijn omgekomen is men nu een stuk voorzichtiger en kunnen we niet verder dan zo’n kleine 3000 meter en bevinden we ons vlakbij de krater die is ontstaan in 2002/2003. Toen zorgde de hieruit komende lavastromen voor veel vernielingen, maar nu puft de kleine krater alleen nog wat stoom uit. De échte lava komt van veel verder boven, maar stroomt langs een andere – voor de mensen bijna onbereikbare kant – naar beneden en is volgens zeggen te zien wanneer je ’s avonds onderweg bent op de autobaan tussen Taormina en Catanië. Ook van het plaatsje waar wij vannacht overnacht hebben, zou een lavastroom te zien zijn, maar daar hadden wij lui in het bubbelbad helemaal geen weet van. Hierboven zou een gids ons begeleiden, maar in eerste instantie schijnt iedereen op eigen houtje een beetje rond aan het lopen te zijn. Toch loopt er heel onopvallend een gids mee, die niet zoals gebruikelijk wijd en zijd zijn verhaaltje staat te doen, maar gezellig meeloopt en openstaat voor alle vragen en die dan ook nog eens uitgebreid beantwoord. Zo komen we toch een paar interessante dingen te weten en wordt het Italiaans en passant ook weer een beetje bijgeschaafd. Ik kan me voorstellen dat niet iedereen onder de indruk komt van het landschap hierboven. Zwart, ruig, kaal, maar het heeft iets fascinerends. Hier is de aarde nog jong en in ontwikkeling en voel je je heel nietig. Ik geloof dat ik iets ga hebben met vulkanen……
De berg weer af door weer een heel mooi landschap prijzen we onszelf nog maar eens gelukkig met het mooie weer op de Etna, want heel in de verte zien we weer sombere wolken hangen. De stad Syracuse stond eigenlijk niet op ons programma, maar omdat we toch al het een en ander hebben overgeslagen vanwege tijdgebrek en we hebben lopen rekenen en puzzelen, besluiten we vannacht toch in Syracuse te overnachten en wel in het oude gedeelte Ortygia. Om het geheel een beetje te bespoedigen nemen wij de grote weg, want Syracuse is een grote stad en wie weet hoe lang het ons duurt ons door deze stad heen te worstelen. Dit valt achteraf erg mee en voor we het weten zitten we in Hotel Buwkowski aan zee, midden op Ortygia. Ook Syracuse is een oude stad en ook hier hebben de diverse veroveraars hun sporen achtergelaten. Opvallend en mooi is de dom, waarbij een oude tempel van de Grieken gebruikt is als basis voor de kerk en waarbij die oude, statige zuilen zowel binnen als buiten te zien zijn in de constructie. Het eiland Ortygia is prettig klein en voor zo’n grote stad eigenlijk ook prettig rustig. Een rondje eiland is dan ook een ontspannende wandeling met veel te zien. Alleen het fort kunnen wij niet bereiken, misschien dat dat zo laat in de namiddag gewoon gesloten is. Tussen alle bedrijven door proberen we ook nog een beetje de verkiezingen in Amerika te volgen; morgen is het daar namelijk D-Day en laten we hopen dat het een O-Day wordt!!!!!
![]()
Onze eerste vraag de volgende morgen is dan ook; ‘Obama or McCain’? Obama wordt met een brede glimlach geantwoord. Deze dag kan niet meer stuk, zeker omdat wij bij het ontbijt ook eens een eitje krijgen en niet gedoemd zijn tot alweer een zoet ontbijt. Syracuse herbergt nog veel meer oudheidkundige schatten, maar daarvan hebben wij er nog een paar in het verschiet en verder is het vandaag al woensdag en moeten wij over een paar dagen weer terug in de omgeving van Palermo zijn. En een blik op de kaart leert ons dat je op Sicilië nergens bijna nergens verder verwijderd bent van Palermo dan in Syracuse.
Als klein kadertje in de Planet staat de Valle d’Annapo beschreven als heel mooi en als wij bij het verlaten van Syracuse de juiste weg weer kunnen vinden (de ons aloude bekende SS113), gaan wij daar een kijkje nemen. En daar krijgen we geen spijt van. De alhier gelegen necropolis (begraafplaats) van de eerste bewoners van Sicilië spreken misschien niet tot eenieders verbeelding, maar de omgeving is schitterend. Was Chris niet een beetje ziekjes, hadden we hier een mooie wandeling kunnen maken. Nu beperken we ons ertoe tot het ons vergapen aan de schitterende vallei die zich voor ons ontvouwt. Wauw! Wat een mooi stukje natuur. Toch moeten wij in dit schitterende landschap nog even grappen over de maffia, want tijdens ons ritje hiernaartoe zagen wij achter een muurtje een hele verzameling mannen die ‘iets’ aan het doen waren in het bos. Weliswaar geen mannen in keurig pak, maar het schijnt dat de kenmerken van een maffioso niet het streepjespak met slobkousen is, maar bretels met baret. Of het bretel- en barettengehalte van de groep mannen hoog is, kunnen wij niet zien in het voorbijgaan; we gaan er voor de spanning gewoon even van uit!!
Hier in het zuidoostelijke gedeelte van Sicilië liggen steden die veel barokke bouwwerken hebben en die tevens na eeuwen verwaarlozing en vernieling in de Tweede Wereldoorlog, alweer aardig gerenoveerd zijn. Noto is een van de bekendste steden, maar wij kiezen voor Ragusa en Modica. Ragusa inrijdend zijn wij niet echt onder de indruk, maar Ragusa is een vrije grote provinciehoofdstad en voor het mooie moeten wij zijn in Ragusa Ibla. Natuurlijk weer een stad gebouwd op een rotspunt mét jawel de onvermijdelijke kerk als blikvanger. Heel Ragusa Ibla is een blikvanger en wij struinen op het gemakje door het stadje, waarbij een blik op de klok ons leert dat het tijd is voor de lunch. Tegenover ijssalon Di Vini (=goddelijk) strijken wij neer op een terrasje en ditmaal neem ik mij voor toch écht eens een ijsje na te nemen. Een ijsje past er nog nét bij en had ik ook niet willen missen; ijs van moscato d’asti………
Af en toe werpen wij een weifelde blik naar boven; blijft het droog vandaag. Er komen namelijk dikke donkere wolken voorbijdrijven. Gelukkig drijven zij slechts voorbij en vinden het niet nodig hun natte last te lozen, maar wanneer wij van Ragusa onderweg naar Modica zijn, miezert het toch een beetje.
Modica is het niet voor ons! Toch wel moe en een klein dorpje verwachtend, slaken wij een zucht bij alweer een grote stad. En als we dan ook nog geen onderdak kunnen vinden, hebben we het even gehad. Geen onderdak vinden is een beetje overdreven, maar tot nu toe was de eerste keer meestal raak en nu kunnen wij het door ons uitgekozen adresje helemaal niet vinden. Zullen we de stad uitrijden richting kust of toch maar proberen iets te vinden. Een b&b langs de hoofdweg heeft een kamer beschikbaar, maar de sleutel tot die kamer is onvindbaar. De behulpzame eigenaar duidt ons de weg naar een ander adresje; de heuvel op en dan 2 bochten. Zou makkelijk te vinden moeten zijn, maar dit is niet zo. Dan maar even bellen in de hoop iemand aan de lijn te krijgen die een beetje Engels spreekt. Niet dus! Dus probeer ik wijs te worden uit het rappe Italiaans; ‘sinistra, sinistra’ Rechtdoor, rechtdoor begrijp ik hier uit, maar wij rijden tweemaal hetzelfde kringetje zien alles behalve een b&b. Wat nu? Tijdens de rit de heuvel op zag ik in mijn linkerooghoek nóg een b&b, maar die zag er erg verlaten uit. Terug de heuvel af zien we echter leven bij deze b&b en voor we het weten zitten we in een riante kamer en voelen ons weer een beetje happy. Even opdrogen nu, want het regent echt inmiddels.
Naast het vele barok – volgens onze gastheer en –vrouw zijn hier zo’n honderd kerken – is dé reden om naar Modica te komen; chocolade. Chocolade die hier volgens een eeuwenoude bereidingswijze wordt gemaakt. Er wordt geen cacaoboter uit de bonen gewonnen en daarna met de benodigde ingrediënten tot repen gevormd, maar de bonen worden gebrand en dan gemalen en vermengd met de ingrediënten. Je krijgt dan een wat brokkelige chocolade, onregelmatig van structuur, maar wel érg lekker. Eigenlijk hebben ze in het naar cacao geurende winkeltje niets meer liggen om te proeven, maar na wat aandringen wordt er toch een reep aangebroken en vertrekken wij weer met wat reepjes onder de arm. Specialiteiten zijn de chocolade met vanille en met peper. We gaan het proeven. Ook zou je in Modica lekker kunnen eten, maar wij kunnen überhaupt maar 1 restaurant vinden (ook na lang zoeken). Lounge clubs hebben ze wel genoeg, maar drank alleen is niet voldoende. Dit als enigste gevonden restaurant doet niet echt gezellig aan, maar tegen de tijd dat wij toch besloten hebben hier dan maar wat te eten, zit het terras gezellig vol en het moet gezegd worden; de pizza’s waren overheerlijk. Nu nog een kunst om na ons inmiddels traditionele flesje wijn ons overnachtingsadres terug te vinden. Het ligt ergens op de helling tussen hoog Modica en laag Modica en zoals gebruikelijk is het ook in deze stad weer een wirwar van steegjes. Maar ons oriëntatievermogen is buitengewoon en voor we het weten zijn we weer thuis. Het huisje ligt heerlijk rustig, dus dat zou een goede nachtrust moeten beloven. Het was de hele avond gelukkig droog, maar die donkere wolken van vandaag besluiten zich tóch maar te ontdoen van hun vrachtje en ergens op het binnenplaatsje achter onze slaapkamer resulteert dit in een vrij luid en zeer irritant getik…….. Gelukkig regent het niet héél de nacht.
![]()
In de loop der jaren moeten er steeds meer brillen mee op vakantie en we het is dan ook steeds een heel getel. De volgende morgen blijkt er een bril te ontbreken; Chris zijn leesbril. Die kan maar op een plek achtergebleven zijn; op het terras van het restaurant van gisterenavond. Wij vrezen dat het restaurant zo vroeg in de ochtend nog gesloten is, maar de buurman is wel open en na wat geklop op diverse ramen, blijkt er al iemand in het restaurant aanwezig te zijn en Chris zijn bril ligt al op ons te wachten bij de kassa. Gelukkig maar!!!!
Vandaag bezoeken wij een van de ‘must do’-s van Sicilië; de Vallei van de Tempels bij Agrigento. Chris voelt zich nog steeds niet helemaal happy dus neem ik plaats achter het stuur in de hoop dat Chris als navigator mij niet Agrigento inleidt, want deze stad schijnt bijna net zo erg als Palermo. En Chris reed daar wel stoer door de stad zonder blikken of blozen; ík ben niet zo stoer. Gelukkig wordt de Vallei van de Tempels goed aangegeven en laten wij de stad – natuurlijk op een heuvel – links liggen.
Deze oude Griekse stad heeft meerdere ingangen en ook snel vinden wij de juiste ingang. Zo beginnen wij bovenaan de stad en wandelen langzaam naar beneden. Indrukwekkend zijn de Tempels van Hera en Hercules, maar omdat wij zonder gids of enige andere uitgebreidere uitleg aan het rondlopen zijn, gaat er een hoop van het hoe en waarom aan ons voorbij. Deze oude tempels met bijbehorende stadsmuren vormden ooit de stad Akragas, wat een van de meest luxueuse steden van het Griekse rijk zou zijn geweest. Ook toen al werden de steden op een strategisch hoog punt geplaatst en mag het geheel ons dan minder zeggen; de ruïnes van de stad liggen hier schitterend met links de moderne molog Agrigento en rechts in de verte de glinsterende Middellandse Zee. Beplant met statige platanen en eeuwenoude knoestige olijfbomen biedt het geheel mooie plaatjes en kun je niet anders dan – ondanks onze onwetendheid – onder de indruk raken van de bouwkunsten van de oude Grieken. Ook hebben wij het geluk dat we zo laat in het seizoen het complex bijna voor ons alleen hebben en we zo zonder gidsen en grote groepen toeristen om ons heen een heerlijke wandeling maken in het zonnetje.
Een zonnetje dat al vrij laag aan de hemel staat en wij langzaam willen gaan zoeken naar een overnachtingsplaats. Ik heb bedacht om richting de Scala dei Turchi te rijden om daar in de buurt wat te zoeken. De Scala dei Turchi ligt niet direct aan een doorgaande weg of bij een grotere stad, maar ik hoop erop dat de aanwezigheid van zon, zee en strand ons een leuk B&B-tje oplevert. "Heb je niets op het oog?", vraagt Chris enigszins twijfelachtig. Deze keer niet dus!! De weg naar de Scala dei Turchi (even voor de duidelijkheid, dit is een bizarre, witte rotsformatie ergens langs de kust die we graag willen bezoeken) wordt duidelijk aangegeven, maar ligt zelfs helemaal niet in of bij een stad alhoewel er hier wel enige bebouwing is. Langs de kust rijden wij een stukje terug richting Agrigento en rijden het havenstadje Porto Empedocle binnen, waar alles gesloten lijkt te zijn. Wel zien we steeds een klein bordje: B&B en besluiten we dat te volgen. Hetgeen niet zo gemakkelijk is, maar ons wel terug leidt richting de Scala dei Turchi. Het bordje leidt ons uiteindelijk een steil weggetje af, eindigend op het strand, waar links een groot gesloten hek staat; het huis erachter blijkt de B&B. Nu maar hopen dat er iemand thuis is. Na op diverse belletjes te hebben gedrukt, komt er een klein sjiek vrouwtje op ons toegelopen. Op onze vragen is dit de B&B en is hij geopend, wordt positief geantwoord en even later bevinden wij ons in een mooie klassiek ingerichte villa met een mooie grote tuin, een lief katje en direkte toegang tot het strand. Dit is perfect! Nadat wij alles meer dan goedgekeurd hebben, wordt ons een bos sleutels overhandigd; wij blijken de villa helemaal voor ons alleen te hebben.
Ik besluit nog even een stukje op het strand te lopen, maar het is daar zo stil en zo eenzaam dat het bijna griezelig is, dus houd ik het inderdaad maar bij een stukje lopen en vindt, terug in de villa, Chris op bed en onze gastvrouw nog een beetje rommelend in de keuken. Ik op mijn beste Italiaans en zij op haar beste Engels voeren we nog een heel gesprek leunend op de balustrade van de veranda, terwijl we genieten van het ondergaande zonnetje. Als het voor haar tijd wordt om naar huis te gaan, deelt zij ons nog mede dat ze morgenvroeg tussen 8 en 9 uur voor het ontbijt zal zorgen en laat ons alleen in onze – tijdelijke – villa aan zee. Voor ons eten vanavond moeten we naar Porto Empedocle, waar zij ons een visrestaurant heeft aanbevolen. Maar dat is voor later.
Porto Empedocle is een echt havenstadje en volgens ons komt hier alleen een verdwaalde toerist of het moeten die toeristen zijn die op de boot stappen naar de eilanden Linosa of Lampedusa (de Pelagische eilanden) of zelfs naar Tunesië. Laat in het seizoen en weinig toeristen betekent dat we weer eens bijna alleen in een restaurant zitten. Het ons aanbevolen visrestaurant blijkt echter helemaal geen vlees te hebben en Chris eet met gemengde gevoelens zijn rauwe garnalen – ze smaakten heerlijk – op, maar zijn pasta met gamba met duidelijk minder gemengde gevoelens. Mij hoor je verder niet.
![]()
Onze voorlaatste dag op Sicilië is weer een hele zonnige, dus voordat wij onze villa verlaten maken wij eerst nog een wandeling richting de Scala dei Turchi. Tenslotte zijn wij daarvoor hier beland. De vertaling van Scala dei Turchi is de ‘trap van de Turken’, waarbij de legende gaat dat de Turken langs deze bijna natuurlijke trap de rotsen beklommen om Siciliaanse maagden te roven. Vandaag de dag wordt er niet zoveel meer geroofd en zijn het meestal toeristen die de ‘trappen’ beklimmen. Spierwitte trappen; een soort kalksteen, mooi gevormd door water en wind en een bezoek waard. Ook al betreft het maar 1 grote rotsformatie. De combinatie zee en strand kan eigenlijk nooit stuk en als je dan als extraatje nog deze mooie witte rotsformatie krijgt, zit je helemaal goed.
Wij volgen nog steeds de SS113 die ons lang de zuidwestkust leidt in de richting van Trapani en uiteindelijk naar Erice; ons doel voor vanavond. Ons aangeraden door een regelmatig bezochte Siciliaanse winkeleigenaar in Weil, wiens winkel helaas inmiddels gesloten is. Zijn ouders wonen ergens aan de zuidkust in de buurt van Marsala en bij ieder bezoek aan Sicilië nemen zij ook een kijkje in Erice. De rots waarop Erice gebouwd is, zien wij al van verre liggen. Maar om er te komen moeten we tóch nog een stukje door een grote stad. Trapani ditmaal en hebben wij tot nu toe niet hoeven klagen over de bewegwijzering hier op dit eiland; het duurt nu wel érg lang voordat we eindelijk een bordje met het verlossende Erice erop zien staan. Gelukkig staan we goed voorgesorteerd, want het is hier weer ouderwets druk. De weg kronkelt die enorme rots op door een schitterend landschap en natuurlijk helemaal bovenop ligt het mooie Erice; een mooi ommuurd stadje. In de stad mogen behalve die van de bewoners geen auto’s komen, maar we mogen wel even langs het hotel rijden om daar te tassen te draperen. Alles moet nu uit de auto, want morgen vliegen we terug naar Nederland en moet het een en ander weer een beetje beter ingepakt worden. Overigens is het wel fijn dat hier geen auto’s mogen komen; het verhoogt de sfeer alleen maar en om de een of andere reden loop ik bij een uitgebreide rondwandeling door de straatjes en langs de stadsmuren met de muziek van The Phantom of the Opera in mijn hoofd. Die zou hier niet misstaan, alhoewel het helemaal geen eng stadje is, maar gewoon erg authentiek. Behalve het stadje zelf zijn de vergezichten over het binnenland en de zee schitterend, zeker nu de zon langzaam in de zee aan het zakken is. Ook hier zijn weer voldoende kerken aanwezig en we zouden nog niet bij benadering kunnen zeggen, hoeveel kerken we in totaal hebben gezien tijdens onze rondreis van de afgelopen twee weken. Een heleboel in ieder geval.
Omdat Erice mooi is, is het natuurlijk ook toeristisch en alhoewel het aantal toeristen dat er vanavond rondloopt bijna op een hand te tellen is, zijn er natuurlijk wel de onvermijdelijke souvenierswinkeltjes. Chris heeft nog geen vlag van Sicilië en ik geen lepeltje en aan beide wensen is al snel voldaan. Ook koop ik nog wat lekkere – dat hoop ik dan – spulletjes voor in de keuken, zoals zout van Trapani; alhoewel wij alleen maar een vluchtige en verre blik op deze zoutvelden en zijn mooie molens hebben kunnen werpen. Voor ons avondmaal hoeven we de deur niet uit, want het hotel waarin wij logeren zou ook een van de betere restaurants van Erice en Trapani herbergen. We vrezen weer vrij eenzaam te moeten eten – een zuur kijkend Engels stel is nu niet direct aangenaam gezelschap -, maar als de avond is gevorderd zit de hele eetkamer vol drukke en heel sjiek aangeklede Sicilianen. Ik ben heel nieuwsgierig; zij bestellen namelijk niets van de kaart, maar krijgen allemaal hetzelfde menu. Mijn nieuwsgierigheid is niet al te erg, want de plaatselijke specialiteit; couscous met vis smaakt overheerlijk.
Na het eten maken wij nog een nachtelijke wandeling door Erice en ontdekken zowaar nog wat nieuwe kerken, maar liggen niettemin toch nog vrij bijtijds in bed. Slapen kunnen we echter niet, want Erice is dan weliswaar heerlijk rustig, wanneer zo’n 20-tal voldane Sicilianen beneden ons balkon uitgebreid afscheid van elkaar staan te nemen, kán dat eventjes duren en máákt dat in ieder geval een hoop lawaai. Gezellig klinkt het echter wel.
![]()
Tussen de bedrijven door hebben wij onze tassen al netjes ingepakt en zijn tenminste zij al klaar voor ons terugreis. Wij hebben echter op deze laatste dag nog voldoende tijd om op het gemakje te ontbijten en om onderweg naar het vliegveld nog een laatste de oude Romeinse stad te bezoeken. Segesta met zijn schitterende tempel en prachtig gelegen amfitheater. Toch wel een hele mooie uitsmijter, deze op het oog nog zo volmaakte tempel in dit vooral schitterende landschap. De tempel, het landschap én het zonnetje maken er een mooie laatste dag van en stappen wij ’s middags vermoeid, doch zeer voldaan in het vliegtuig terug naar Nederland.
©2008 ms-cheyenne