Die ándere parels in de Indische Oceaan
Wij hebben iets met eilanden: Sri Lanka, de Malediven, Lanzarote, La Palma, de Kaapverden. We bezochten ze allemaal de afgelopen jaren. Is dat tóch het Robinson Crusoë- gevoel dat een beetje in ieder van ons zit? Of is een eiland gewoon wat overzichtelijker? Buiten wanneer je bijvoorbeeld zou kiezen voor Madagaskar – hetgeen Chris nog opperde – of bijvoorbeeld Groenland, heeft een eiland duidelijk zijn beperkingen. Het houdt ergens op en ligt er aan de horizon niet nóg een berg waarachter het misschien nóg mooier is! Op is op!
De Seychellen zijn wat dit betreft heerlijk overzichtelijk; het hoofdeiland Mahe is geloof ik 25 kilometer lang en 7 kilometer op zijn breedste punt; Praslin en La Digue zijn nog een stuk kleiner.
We beginnen onze vakantie op het kleinste en tevens “verst gelegen” eiland; La Digue. Lang leve het internet! Gaan we normaalgesproken op de bonnefooi ergens naartoe; diverse sites en communities raadden ons aan toch zeker op de kleinere eilanden van tevoren accommodatie te boeken. Dit om teleurstelling te voorkomen. Deze teleurstelling kan tweeërlei zijn: “Oeps. We moeten op het strand slapen.” of “Oeps! € 300 of meer is toch wel veel voor ’n nachtje slapen.” We hebben daarom op goed geluk diverse accommodaties op de diverse eilanden een e-mail gestuurd. Uiteindelijk hebben er maar 4 positief gereageerd en kon het puzzelen beginnen: wie heeft wanneer een kamer vrij en komt dat een beetje uit. Uiteindelijk wel, alhoewel we de laatste nacht op de Seychellen nog een keertje moeten verkassen. Dat overleven we echter wel! Want alhoewel het échte trekken wat minder is geworden – de leeftijd gaat waarschijnlijk tóch meetellen – zijn onze tassen nog steeds in ‘no time’ gepakt en zijn we gelukkig nog steeds vrij flexibel.
Bij de een roepen de Seychellen gelijk beelden op van witte stranden en een azuurblauwe zee, terwijl de ander vragend de wenkbrauwen optrekt. De Seychellen is een eilandengroep in de Indische Oceaan, liggend op ongeveer dezelfde breedtegraad als Kenia, noordoostelijk van Madagaskar. Vrienden van Geert hebben het er bijna een jaar uitgehouden, dus dat gaat ons zéker 14 dagen lukken. ‘Welcome to Paradise’ zegt de officiële website van de Seychellen. Ieder paradijs heeft echter zijn eigen slang. Die van ons zal welbestaan uit insecten; de enorme palmspin, iemand sprak over een gigantische kakkerlak en natuurlijk muggen. Gelukkig zijn wij niet bang voor spinnen en kakkerlakken – hoe gigantisch ook – en in de tas zit naast een klamboe een heel assortiment anti-muggenspul, dus iets zal ze wel op een afstand houden.
Maar intussen moeten we nog op Rome landen, daar enige uren stukslaan en dan nog een stukkie vliegen.
Ongeveer 20 uur later; de haven van Victoria. De eerste indruk van Mahe is indrukwekkender dan gedacht en warmer dan gehoopt, alhoewel er af en toe een fris briesje waait. Maar wat wil je; we zitten hier maar 4 graden verwijderd van de evenaar, die noordelijk van ons ligt.
Reizen is wachten, voornamelijk wachten; wachten op het inchecken, bij de douane, bij het boarden, weer bij de douane en nu bij de Cat Cocos ferry die ons naar Praslin zal brengen.
Het wachten in Rome gisteren viel echter reuze mee. Na de rugzakken te hebben opgeborgen, stonden we voor we het wisten in de oude stad en hebben we warempel tóch weer ’n paar kerken ‘ontdekt’, waarin ik – ondanks stille protesten van Chris tegen de nepkaarsjes – een kaarsje heb ontstoken. Chris wilde ook nog eens het Coloseum bezoeken, maar ik gaf hem weinig kans. Inderdaad; rijen wachtenden! (Wat hebben wij het 3 jaar geleden dan toch getroffen.) Ons hoofddoel in Rome is een lekkere italiaanse lunch en dat is gelukt. Vriendin Marijke waarschuwde van de week nog: “Zorg wel dat je bijtijds terug bent op het vliegveld!” Genietend van een ‘latte machiato’ ontdekken wij opeens dat de tijd toch harder is gevlogen dan wij meenden. Dus dat was op een drafje terug naar het treinstation Roma Termini. Uiteraard hadden wij – eenmaal terug op het vliegveld – weer zeeën van tijd, maar misschien lag dit aan de iets betere organisatie dan op Schiphol. Wat was het daar een zootje!
Intussen verlangen we ernaar onze bergschoenen en spijkerbroeken in een hoek te kunnen smijten voor wat frissere kleding; ná een even frisse douche. We hebben echter nog 2 etappes van onze reis af te leggen.
De douche is inmiddels genomen en de 2 etappes zijn afgelegd. Eerst met de catamaran van Cat Cocos naar Praslin en daarna met een kleinere boot naar La Digue; blauw water, witte stranden en wuivende kokospalmen; voor menigeen een droom. Alleen een erg warme droom, waarmee Agnes van Villa Mon Reve – ons eerste logeeradres – het helemaal eens is. Volgens haar is het een stuk warmer dan normaal en zij voorspelt dan ook een fikse regenbui.
Villa Mon Reve ligt ergens midden op La Digue; een gezellige puinhoop van kamers, terrasjes, planten en spulletjes die vást ooit nog ergens voor gebruikt kunnen worden. Onze kamer is echter lekker licht, schoon en groot en Agnes heel vriendelijk en enorm blij met de door ons meegebrachte haarkleurmiddelen. Iedereen vroeg zich af wat moet zij met 6 pakken haarkleurmiddel en vooral – bij het eventueel verplicht openen van de koffers bij een of andere douane – waarom neemt iemand 6 pakken haarkleurmiddel mee op vakantie? Naast het ‘guesthouse’ blijkt Agnes nog een kapperszaak te runnen. Dit verklaart veel, maar terwijl ik dit zit te schrijven vraag ik mij toch wederom af of bijvoorbeeld in de hoofdstad Victoria op Mahe niets van dien aard te krijgen is. Of misschien nu net niet haar merk? De doosjes hadden de reis niet écht goed overleefd, maar dat geeft niets. Nu hoeft zij haar cliënten, die allemaal net voor de kerstdagen op hun mooist willen zijn, niet teleur te stellen.
Wij zijn niet de enigste gasten in Mon Reve; een Zwitsers stelletje op huwelijksreis is ook vandaag aangekomen. Evenals twee Italiaansen, die weliswaar erg laat arriveerden, maar zij hebben geluk en kunnen toch nog mee-eten. Er wordt namelijk niet gekookt zonder reservering vooraf. De chef van Agnes is momenteel met vakantie, dus kookt zij zelf voor ons. (Later bekent zij een enorme hekel te hebben aan koken!) Zij bereidt iets licht voor ons, omdat we vast en zeker moe zijn van de lange reis. Als dit licht is, wat is dan zwaar? Kip en vis is inderdaad licht verteerbaar, maar ook nog gefrituurd of gebakken? En dan ook nog ijs met koek na? Licht is het niet echt, maar wij klagen niet. Want na een dutje na de douche hebben wij er al een lekkere wandeling opzitten richting het strand Grand Anse. Wat mooi die combinatie van azuurblauwe zee, bijna wit strand en grillig gevormde granietblokken. Zo vaak gebruikt in reclames en films. Nu zien we het eindelijk eens live!
Als het donker wordt, valt ons een ding op en dat is een zegen; géén muggen (echter wél een gigantische kakkerlak); dit komt door de warmte. Zo gauw het gaat regen, zullen ook de muggen wel tevoorschijn komen. Zoals ik eerder zei, zijn wij echter goed voorbereid met onze 4 verschillende soorten anti-muggenspul en overigens hangt er een keurige klamboe boven ons bed (onze eigen klamboe blijken wij uiteindelijk niet nodig te hebben). We gaan vanavond met de kippen op stok en verwachten de volgende morgen ook weer door de immer aanwezige mannelijke variant – de haan – gewekt te worden. Maar het blijft heerlijk rustig tot een uur of 8, buiten het geluid van de vogels – waarvan er hier vele en hele mooie zitten – en het gewipwap van onze enigszins instabiele en levensgevaarlijke plafondventilator. Rek- en strekoefeningen moeten we uit ons hoofd laten en waren we een stuk langer ging dit hoofd er geheid af. Lekker lui staan we pas tegen negen uur op. Chris was gisteren al benieuwd naar het ontbijtje en we worden niet teleur gesteld. Een bordje fruit – behalve de papaja, die ik toch écht niet lekker kan vinden – toastbrood met jam en eieren naar keuze. Alleen de thee is niet te drinken, maar dat is waarschijnlijk te wijten aan het hoge aandeel chloor in het water. Het is echter allemaal meer dan genoeg en we worden lekker luxe aan tafel bediend.
Op La Digue móet je fietsen, maar omdat wij het dichtstbijzijnde fietsverhuurbedrijf niet direct kunnen vinden, kiezen we vandaag voor de benenwagen en lopen terug richting haven. Waar ook de duikschool zou moeten zitten, de bank en de Tourist Info. De duikschool blijkt enige tijd geleden definitief gesloten, de ‘tourist info’ kan ons niet meer vertellen dan wij al wisten en bij de bank hadden ze even geen stroom.
Is het een opluchting of een ‘ teleurstelling’ dat de Seychellen niet het perfecte paradijsje van de vakantiefolders is? Je ziet daarin de mooie, luxe hotels, de perfecte stranden en de luxe jachten dobberen op het azuurblauwe water. Maar daarbij wordt voorbijgegaan aan de Seychellois die gewoon leven en werken in deze minikosmos en niet zoals op de Malediven ver weg van de toeristen gehouden worden. Voornoemd werk zitten wij middenin wanneer tijdens het ontbijt de plantsoenendienst pal voor Mon Reve met een grote zaag in de weer gaat. En het leven zien we als we door het dorpje La Passe lopen; het enigste échte dorp op dit kleine eiland. Bij de school en de kleuterschool is het een drukte van belang. Waar komen opeens al die kinderen vandaan? Het blijkt dat de school niet alleen de lagere, maar ook de middelbare school omvat. Mochten ze daarna nog verder willen en kunnen studeren, moeten ze naar Mahe. Zo ik echter van Agnes heb begrepen, is daar alleen maar een technische school en moeten ze voor andere opleidingen naar het buitenland.
Ik noem La Digue een eilandje met de nadruk op JE, toch weten wij nog min of meer te verdwalen. We bezoeken namelijk het Veuve reservaat en denken daar strand, een plantagehuis en uiteraard de plantage zelf te vinden. La Veuve is echter een klein vogelreservaat, speciaal opgezet voor de waarschijnlijk bijna uitgestorven ‘ black paradise flycatcher’. De Seychellois noemen hem ‘veuve’; de weduwnaar, omdat het mannetje constant lijkt te rouwen met zijn zwartfluwelen verenkleed. Maar het duurt even voordat wij doorhebben in dit vogelreservaat te zitten en niet op de plantage. Wij lijken steeds in iemands achtertuin terecht te komen en worden zelfs middels een bordje gewaarschuwd door de honden! Het bij de ingang gekregen boekje met kaart brengt geen uitkomst, dus als we denken ditmaal op een schoolterrein terecht te komen, lopen we nog maar eens terug naar het informatiecentrum. Die gaat net dicht voor de lunch, dus heeft een van de medewerkers tijd om met ons op te lopen om de weg te wijzen. Hij blijkt sowieso die kant op te moeten.
Chris komt net terug van een financieel praatje. Het blijkt dat wij toeristen hier veel in euro’s betaald moet worden – overnachtingen, excursies, toegang tot parken etc. -, maar om voor 14 dagen voldoende euro’s op zak te moeten hebben voor al deze zaken hebben gaat ons inziens wel een beetje ver. Het moeten betalen in euro’s lijkt een maatregel om het zwarte geldcircuit aan banden te leggen. Inderdaad is ons al diverse malen aangeboden geld te wisselen, uiteraard tegen een veel betere koers dan bij de bank. Zou bijvoorbeeld Agnes onze kosten in rupuus ontvangen dan moet zij iedere ontvangen rupee kunnen verantwoorden en mag zij sowieso geen rupee accepteren zonder aankoopbewijs. Zouden zij wel rupees ontvangen, dan moet iedere week de boekhouding bij de bank ingelevend worden ter controle. Ontvangen euro’s of dollars hoeven zij echter niet te verantwoorden; die worden zonder vragen door de bank geaccepteerd; maar slechts 12,5% ervan komt op de eigen rekening en het restant krijgt men via de bank in rupees terug. Uiteraard nádat de banken hier flink aan verdiend hebben; ergo de regering op Mahe!! Lijken de ondernemers niet in rupees te mogen handelen in verband met voornoemd zwarte geld, meer waarschijnlijk is het dat de banken en dus de regering gewoon geld willen verdienen aan de buitenlandse valuta.
Alles loopt eigenlijk via het hoofdeiland Mahe, zoals bijvoorbeeld ook de stroom. Deze komt echter maar mondjesmaat terecht op La Digue vanwege de te zwakke leidingen. Wanneer Mon Reve volgeboekt zit en iedereen zou tegelijkertijd een douche nemen, dan gaan alle lampen over op sfeerverlichting.
Terug in het vogelreservaat La Veuve blijken wij tóch achter het schooltje langs een paadje te moeten volgen. Nu we toch iemand bij ons hebben, kunnen we gelijk van de gelegenheid gebruik maken en het een en ander vragen. “Die groene vruchten op de grond zijn dat amandelen?” Ja. “En klopt het dat ik gisteren een vliegende hond heb gezien?” Ook ja, alleen heet hij hier ‘ flying fox’; vliegende vos. Tussen het praten door zien wij ook nog een nest van de ‘veuve’; het vrouwtje zit op het nest en het mannetje vliegt in de buurt in de rondte. Hij is zoals gezegd zwart, dus zien we slechts een schim voorbijflitsen. Ook moeten er hier kolibries’s zitten en ’s avonds terug bij Agnes vindt Chris dat de vogeltjes in de struik naast onze kamer kolibries zijn. Het stikt hier overigens van de vogels; hele kleine brutale duifjes, een even brutaal rood vogeltje type mus en schitterende witte met lange verenstaarten. Ook hebben wij natuurlijk al diverse exemplaren van de befaamde ‘kokospalm spider’ gezien, die op ons niet erg indruk maakt. Tot nu toe waren de spinnen in Venezuela veel indrukwekkender.
Na La Veuve gaan we tóch richting onze plantage; ‘L’Union Estate’; de voormalige kokosplantage met zijn oude kerkhof, koprafabriek en vanilleplantage. Op het kerkhof liggen de nazaten van een van de eerste familie die zich ooit op de Seychellen vestigden. Het kerkhof is zwaar onderkomen, maar begraven worden op een steenworp van die schitterende zee lijkt mij geen straf, dan maar een wat minder goed onderhouden graf. De mensen van de Efteling hebben hier vast ooit inspiratie opgedaan voor hun ‘Danse Macabre’; wat nu rustgevend is, lijkt me ’s nachts eng!
Eng zijn ook de enorme landschildpadden die hier gehouden worden. Zo van dichtbij zijn dat écht lelijke beesten. Lelijk of niet; we offreren ze wat versgeplukt groen (“Volgens mij ben je nu een soort tuin aan het kaalplukken, Chris!”) hetgeen dankbaar aangenomen wordt. Ik heb nog nooit een schildpad zoveel zien bewegen. Voor de ontdekking van de Seychellen kwamen op alle eilanden deze schildpadden voor, maar door de eeuwen heen zijn ze overal uitgeroeid, behalve op de veel verder naar het zuiden gelegen Aldabra-atol. De schildpadden die nu weer op de diverse eilanden rondstruinen, komen daar allemaal vandaan. Geen schildpaddensoep eten dus!
Voordat wij ons begeven richting de oogverstuikende stranden die op dit terrein moeten liggen (Robinson Crusoë met Pierce Brosnan werd hier bijvoorbeeld gedraaid en ook de Bounty reclame) gaan we eerst even lunchen en oeps; meer mensen hadden hetzelfde idee. Maar we vinden nog een plaatsje en geven ons over aan kip en vis met curry én rijst natuurlijk. Ik denk dat we de volgende 14 dagen de piepers wel kunnen vergeten. Het eerdergenoemde brutale, rode vogeltje lust ook wel een hapje en poseert voor de foto.
De strandjes zijn inderdaad oogverstuikend en ondanks het vrij grote aantal fietsen dat zich hier verzameld heeft, zie je steeds maar 2 of 4 andere strandgangers; er is altijd wel een rots om je tussen of achter te verschuilen of een volgende bocht en een volgend strand. Hoe komen die rotsen aan zulke fantastische vormen; wind en water? In Japan probeert men de perfecte steen te vinden om in de tuin de perfecte harmonie te creëren. De mensen hier hebben dat probleem niet; iedereen heeft wel een of meer kunstzinnig ‘geschapen’ rotsen in de tuin liggen en met wat tropische bosschages erbij heb je zonder veel moeite de perfecte tuin. Als wij uit ons badkamerraampje kijken, zien we ook zo’n mooie kolos.
Het snorkelen zou hier ook mooi moeten zijn, maar dat is eigenlijk ronduit pet. De bodem binnen het rif bestaat uit zand en gras en er zijn ook maar weinig vissen, misschien om te duiden dat je hier niet ónder, maar bóven water moet zijn!
Intussen zitten we een dag later op Anse Patatran en hier zou het beter snorkelen moeten zijn, ware het niet dat onze duikbrillen nog op ons balkon liggen. Na wat diepe zuchten besluit Chris ze maar even op te halen en ik ben benieuwd hoe snel hij terug is. We hebben vanmorgen namelijk twee fietsen gehuurd om ook de noordpunt en de oostkust van het eiland te verkennen. Een stoere fietser kan alle weggetjes vast binnen 2 uur afleggen – niks voor Anton dus -, maar stap af en toe af, geniet van het uitzicht, drapeer je op een strand en de dag is zo gevlogen.
We huren de fietsen waarschijnlijk wel bij de verkeerde nering. Namelijk bij Chateau St. Cloud, een wat groter hotel (mét zwembad, terwijl er op dit moment een watertekort is! Maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat we het zwembad niet gezien hebben, dus misschien was het wel leeg!) waar wij op de eerste dag met de taxi twee medereizigers hebben afgezet. Deze medereizigers zijn moslim en op de vluchthaven stonden wij achter hen in de rij bij de immigratiedienst. Het duurde bij hen minstens 5 maal zo lang om de benodigde stempels in het paspoort te krijgen!! Vraagje; Mogen moslima eigenlijk roken?
En waarom zou het trouwens verkeerd zijn bij St. Cloud fietsen te huren? Omdat het hotel hoogstwaarschijnlijk door buitenlanders gerund wordt!
Bij het strand van Patatran hoort het gelijknamige hotel en eerlijk is eerlijk; zij zitten hier schitterend en voor wie vanmorgen op zat te letten, kwam er een hele school dolfijnen voorbij zwemmen. Ik vrees echter dat dit hotel een paar euro meer kost dan bij ons in Villa Mon Reve. Aan de andere kant; de zee is hier even zout en het zand even fijn en plakkerig!
Wij zijn hier toch wel de ‘simpele snorkelaars’, want naast ons hebben zojuist 2 Duitsers plaatsgenomen – wie anders? – die volledig uitgerust zijn; komen wij met ons maskertje en snorkeltje! Zou het hier ook drukker zijn vanwege dit snorkelen? Als Chris terug is, gaan we het zien en we gaan ook zien of we vanavond weer stroom hebben in Villa Mon Reve. (Er baant zich intussen overigens een soort duizendpoot op mij voet een weg naar boven, waarschijnlijk voor het mooie uitzicht vanaf mijn knie!) Agnes kwam gisteren namelijk met de mededeling dat er vandaag van 7.30 tot 14.00 uur geen stroom zou zijn in verband met het leggen van een nieuwe, dikkere stroomkabel. En inderdaad zijn ze met man en macht een loeidikke kabel in de masten aan het ophijsen. We hebben gelukkig een zaklampje bij….
We zitten nog te overdenken of we overmorgen een excursie gaan maken naar drie naburige eilandjes; Cocos, Frégate en Sister. Mórgen gaan we in ieder geval proberen de hoogste top van het eiland te bereiken. En ik kan één ding voorspellen; dat wordt zweten!
Het snorkelen op Patatran – want daar zitten we tenslotte nog steeds – is inderdaad beter dan gisteren, maar dit ligt dan vooral aan de grote verscheidenheid van vissen. Ook de Seychellen hebben duidelijk geleden onder El Niño. Wij zijn het er trouwens beide over eens: eenmaal aangejurkt en uitgeklaard is duiken een stuk relaxter dan snorkelen. Het zicht is soms minder door de golfslag en je drijft soms met gang nét boven de bodem en je schrikt eerder van onverwachte dingen. De papagaaivissen zijn hier dan ook érg groot.
Terug richting Mon Reve fietsen we nog langs La Digue Island Lodge; naast Patatran een ander groot hotel op het eiland; het grootste zelfs. Eens kijken of we hier voor de verandering ook een keertje kunnen eten, want alhoewel goed en voldoende is het eten een beetje saai bij Agnes. Maar voor een lopend buffet of vast menu doen we het niet. Dan blijven we wel bij Agnes eten, wiens ‘chef’ geloof ik terug is van vakantie. Weer thuis vragen onze Zwitserse buren Daniel en Mirjam ons of wij de hoogste top van het eiland al beklommen hebben. “Nee, dat zijn we morgen van plan.” Zij ook en wij worden uitgenodigd hen te vergezellen. Zij kennen namelijk via via een Zwitser die hier al bijna 20 jaar op het eiland woont en deze neemt hen morgen mee de berg op. Oorspronkelijk zouden zij ook bij deze landgenoot logeren, maar hij heeft op het ogenblik waterschade. Na het eten regelen we aldus onze laatste twee dagen op La Digue; morgen naar het hoogste punt van het eiland op 333 meter en overmorgen de excursie naar de 3 naburige eilandjes om te snorkelen, wandelen en bbq-en.
Op 9 uur de volgende morgen treffen wij Alain voor een ‘jungletocht’ over La Digue. Ietwat teleurgesteld horen wij dat we niet naar het hoogste punt van het eiland lopen, maar naar een plek met een veel beter uitzicht. Ook prima, want al lopende komen we een helemaal te weten over de flora op de Seychellen. Wat groeien er op dit eiland toch een hoop verschillende soorten fruit! Papaja, broodvruchten, mango, jackfruit, cashewnoten, mandarijnen, vieze pruimpjes; het bos is één grote fruitgaard. En dan worden wij iedere morgen getrakteerd op zo’n laffe papaja! (Misschien komt dat omdat het meeste andere fruit nog niet helemaal rijp is, maar dat terzijde.) Hoeveel ervan endemisch is en hoeveel meegebracht door de Fransen of de Engelsen is heden ten dage waarschijnlijk onduidelijk. De vanille komt in ieder geval van Brazilië, waar een insect zorgt voor de bevruchting. Hier moet dat met de hand gedaan worden, hetgeen resulteert in dure vanille. Met het meeste fruit – wij vinden het vooral bijzonder jammer van de cashewnoten - wordt vandaag de dag jammer genoeg helemaal niets meer gedaan. Doodzonde toch?
Het pad dat wij volgen is danig overwoekerd en volgt een soort bergkam. Vroeger trokken de mensen veel vaker de bossen in voor kokosnoten en eerdergenoemd fruit. Nu echter niet meer en langzaam verdwijnen de paden. Op de bergkam woonden ooit zelfs mensen, getuige de daar aanwezige ruïne. Het pad naar de eigenlijke top van het eiland verdwijnt zo gaus waarschijnlijk niet – op de terugweg bereiken we tóch onze 333 meter - ; er zijn zeker te weten legio andere toeristen die ook op het hoogste punt van La Digue willen staan.
Was het soms al twijfelachtig of wij een pad volgden; bergaf is er volgens mij helemaal geen pad. In ieder geval niet waar wij lopen: “In the jungle, the mighty jungle….” Hier slaapt echter geen leeuw. Hoogstens een vliegende vos of een landschildpad.
Halverwege de berg, leunend tegen een paar rotsen, zijn we door een verontwaardigde Alain zeer uitgebreid op de hoogte gebracht van de politieke situatie op de Seychellen. Hoe we op dit onderwerp kwamen, weet ik niet meer. Maar ondergetekende zal er wel debet aan zijn! Tot de val van de Berlijnse muur waren de Seychellen marxistisch-leninistisch en kregen zij steun van onder andere China, Cuba en Rusland. Het moet hier toen een broeinest van spionnen zijn geweest. Alain kan zich nog goed herinneren dat de kinderen op het schoolplein rondmarcheerden met rode sjaaltjes, petten en houten geweertjes. En er was een speciaal eiland waar de jeugd na school een semi-militaire opleiding kreeg en werden gebrainwasht met communistische ideologieën! Na de val van de muur kregen de eilanden minder steun van hun ‘rode broeders’ en wendden zij zich tot hun ‘ oude vaders’ Engeland en Frankrijk. Deze waren echter niet gecharmeerd van de toenmalige politiek en eisten – alvorens tot enige steun over te gaan – dat er op de eilanden vrije en democratische verkiezingen werden gehouden. Voor het oog van de wereld werden de Seychellen ook vrijer en democratischer, maar in de praktijk heeft nog steeds de regering alle macht in handen. Denk hierbij alleen maar terug aan het verhaal van Agnes, waarbij zij slechts 12,5% van alle geïnde euro’s ook daadwerkelijk mag houden en de rest terugkrijgt in rupees; waardeloos in de rest van de wereld. Want willen de Seychellois naar het buitenland, dan mogen zij niet meer dan € 300 aan buitenlandse deviezen meenemen. En wat kun je vandaag de dag nog met € 300. Ook is alle invoer en verkoop van goederen in handen van de regering, dus denk je ooit iets nodig te hebben en je ziet het nú in de winkel; kópen! Wie weet wanneer het ooit weer in de winkel ligt. Edo en Joanne – die bijna een jaar op de Seychellen hebben rondgezworven – vertellen hier al over op hun site www.sallylightfoot.com Zo zijn er al een maand geen uien meer op het eiland, smacht Alain. Hier kunnen wij hem echter geruststellen! Gisteren kwam er een vrachtwagen vol zakken aan bij het ‘warehouse’. Al met al geen wonder dat het zwartgeldcircuit zo welig tiert. Zouden ook de ‘grotere’ hotels afhankelijk zijn van hetgeen de regering invoert of hebben zij dat in eigen handen? Wij kunnen ons niet voorstellen dat bijvoorbeeld een Hilton het accepteert een maand geen uien of wat dan ook te zien. Zij voeren waarschijnlijk gewoon hun eigen producten in en laten de regering daar mooi van mee profiteren!
Naast toerisme is de tonijnvisserij en -industrie de enigste andere bron van inkomsten voor de Seychellois. De fabriek is echter in buitenlandse handen. Per dag wordt er zo’n 500 ton tonijn verwerkt, de Seychellois zelf willen echter niet in de fabriek werken, zodat bijna alle 1000 werknemers gastarbeiders zijn. Waarom de Seychellois zelf niet in de fabriek willen werken is niet duidelijk, maar het werk zal naast heel vuil ook wel danig onderbetaald worden. 500 ton tonijn wordt er per dag in de fabriek verwerkt, maar hoeveel tonijn er in werkelijkheid gevangen wordt in de territoriale wateren is niet duidelijk. De totale oppervlakte hiervan is namelijk enorm groot en men heeft slechts één vliegtuigje om het gehele gebied te controleren, zodat er hoogstwaarschijnlijk veel illegaal gevangen wordt en elders ter wereld verkocht en verwerkt wordt.
Moe, voldaan en een hoop wijzer zijn we uren later terug bij Mon Reve en dutten we na een verfrissende douche een beetje in, maar schrikken gelukkig bijtijds wakker, zodat we nog een andermaal verfrissende duik kunnen nemen op Anse Petit. Waanzinnig; de zon is al zover onder dat bijna het hele strand in de schaduw ligt en alleen de rotsen en bergen nog wat stralen opvangen en roze gekleurd worden. Ons enigste gezelschap zijn wat rondrennende krabben en die eindeloze zee.
Zoals ik al eerder zij is het eten bij Agnes goed en voldoende, maar wel een beetje saai. Alhoewel we iedere dag een andere vissoort eten, is de soep al een paar dagen dezelfde en is er ooit een kip overgevlogen. Agnes eet echter gewoon met ons mee, alhoewel zij na mijn vragen toegeeft dat zij tijdens de lunch een stuk pittiger eet. Ik heb net namelijk een soort peperbeignet gegeten en alhoewel ik er voor gewaarschuwd werd; was hij hartig, doch niet pittig. Maar in ieder geval een stuk pittiger dan het eten hier bij Mon Reve. Agnes verklaring hiervoor is dat zij niet weet hoe sterk onze magen zijn!
Onze laatste dag op La Digue maken wij een tochtje met de boot naar Cocos Island, Felicité en Sister Island. Oogst; een dolfijn, een haai, een stringray, 2 schildpadden, een heerlijke lunch en alweer een meer dan schitterend strand.
Zon, zee en zout; het is een dodelijke combinatie voor huid en haar en tegen deze zon is niet te smeren. Volgens Agnes en Alain is het veel te warm voor de tijd van het jaar en vooral véél te droog. ’s Nachts wordt het water dan ook al afgesloten. Gebruiken de mensen ’s nachts dan zoveel water, vraagt Mirjam zich af? Nee, dit wordt gedaan tegen het onnodig weglekken van water. Toch haalt men ook water uit de zee en staat er op La Digue een onziltingsmachine én zijn er natuurlijke bronnen op het eiland. Waarschijnlijk is alles precies op elkaar afgestemd en komt men met het uitblijven van de regen tekort. Alain vertelde dat in de 22 jaar dat hij nu al op het eiland woont, het nog nooit zo lang droog en warm is geweest dan de afgelopen 3 jaar. Hoezo ‘global warming’? Eén levend wezen is er nu al bijna door uitgestorven – met behulp van El Niño uiteraard -; het koraal! Binnen 3 maanden waren alle schitterende kleuren verdwenen. “Het was om te huilen”, herinnert zich Alain. Gelukkig begint hier en daar de kleur weer terug te komen en zagen wij blauw, rood en geel koraal. Helaas is het meeste echter nog gewoon grauw! Vooral bezien tegen die kleurenpracht aan vissen, die gelukkig niet verbleekt zijn.
Cocos Island blijkt een minuscule rotspartij te zijn, waar het mooi snorkelen is. Maar oog in oog met een schildpad zwemmen op Felicité is toch wel het hoogtepunt van de dag. Of was het het strand op Sister Island? Een privé-bezit overigens, waar de ‘housekeeper’ de hele dag niets beters te doen heeft dan bij ons toeristen de verplichte ‘landingfee’ te innen.
En die komen er hier genoeg, iedereen heeft weliswaar zijn beschaduwde plekje met tafel en bbq, maar wanneer er een haai vlak onder de kust zenuwachtig heen en weer begint te zwemmen, rent iedereen naar het strand en is het zowaar een keer druk. Meer dan een half uur blijft de haai in zicht en volgens onze kok, komt hij hier iedere dag om deze tijd langs. Geen wonder wanneer de resten van onze overheerlijke vis in het water gesmeten wordt. Waarom jagen wanneer het ook makkelijker kan? Een Rus haalt halsbrekende toeren uit om de haai op de film te krijgen, maar evenals op onze foto’s zal er niet meer dan een vin en silhouet te zien zijn. Maar het was leuk! Ook leuk was – zoals ik al schreef – de oog in oog ontmoeting met 2 schildpadden. Ik wilde Chris met de grootste van de twee op de foto hebben, maar steeds wanneer de schildpad een stukje dichter naar Chris zwom, krabbelde deze respectvol een stukje achteruit. Zijn de beesten inderdaad nieuwsgierig of zijn ze gewend lekkere hapjes van die vreemde tweebenige wezens te krijgen? Ik vermoed het laatste.
Na 5 dagen La Digue verkassen we naar een iets groter eiland; Praslin.
Jammer vindt Alain, want juist deze vrijdag neemt hij Daniel en Mirjam mee op een schitterende wandeling – volgens hem de mooiste die je op La Digue kunt maken -, waarvan wij gelukkig toch ook al een deeltje hebben gelopen via Anse Source d’Argent en verder. Wanneer zij richting L’Union Estate vertrekken, vertrekken wij richting jetty na het hartelijke afscheid van Agnes die ons nogmaals bedankt voor de meegebrachte spulletjes!
Niet lang daarna zitten wij alweer op ons volgende stekkie en kunnen vanaf ons balkon terugblikken op La Digue. Wij zitten echter niet in de Colibri, maar in Chalets Cote Mer in een meer dan riante kamer met een soort hemelbed. Chalets Code Mer zit op loopafstand van de jetty waar bij met de boot aankwamen, maar ze raadden ons aan een taxi te nemen, omdat de weg erg steil zou zijn. Dus zitten wij 2 minuten in de taxi en ontdekken later dat er vanaf de jetty een gemakkelijk zandpaadje loopt en was de taxi achteraf erg overbodig.
Vandaag doen we het een beetje rustig aan en zitten wat te mijmeren op het balkon. Eventjes geen zon op onze tere huidjes na het verbranden van de benen gisteren, hetgeen echter onvermijdelijk is wanneer wij een wandeling door het dorp maken. Hoopten wij van de week nog eens een vliegende vos van dichtbij te kunnen zien; dat kan nu van véél te dichtbij. Er zitten er namelijk 2 in een kooitje opgesloten in de gelijknamige bar waar wij neerstrijken om te lunchen. La Passe is het enigste échte dorp op Praslin en naast diverse kleine supermarktjes gerund door Indiërs of Sri Lankezen, ontdekken wij zelfs een videotheek en de plaatselijke equivalent van McDonalds; de Mc Chicken. Wij bezwijken na al die rijst echter niet voor de frietjes met hamburger, maar kopen wat zoute knabbeltjes en een fles wijn voor vanavond na het eten, waarbij wij ons maar eens overgeven aan een van de favoriete bezigheden van menig vakantieganger; het buffet! Wij besluiten nogmaals dat dat niets voor ons is. Wij laten ons liever lekker bedienen, maar moeten wel toegeven dat we leuk zitten, zo onder die heldere sterrenhemel tussen het groen.
By the way; We hebben Agnes beloofd de vingers gekruist te houden voor wat regen. Ik veronderstel dat die 3 druppels van vanmiddag niet meetellen? Geen nood want die 3 druppels worden de volgende avond zeer serieuze buien. Gelukkig ’s avonds pas, zodat wij tijdens onze wandeling heen en weer over het eiland slechts vergast worden op nóg een paar druppeltjes.
In onze ietwat oude ‘ Planet’ staan er twee wandelwegen dwars over het eiland beschreven; eentje van Grand Anse naar Anse Possesion (de Pasquiere route) en eentje van Grand Anse naar Anse Volbert (de Salazie route). Wij willen proberen vanaf Grand Anse de langere Salazie route te vinden om aan de andere kant van het eiland de bus terug naar huis te nemen. Want namen we op La Digue de benenwagen of de fiets; hier wordt het de benenwagen of de bus. Een ritje kost 30 rupee; of je nu een klein stukje mee moet of een rondje eiland doet.
Het is maar een stukje lopen naar de bus en voor we het weten slingeren we over het eiland. We weten niet precies waar we weer uit moeten stappen, maar in ieder geval in de buurt van de ‘electric and wireless’. Dit lukt ons prima, maar het duurt even het juiste pad landinwaarts te vinden. Welke weg is privé en welke niet? Uiteindelijk lijken wij toch op de goede weg te zitten en klimmen onszelf in het zweet. De bewoonde wereld laten wij al gauw achter ons en eenmaal boven bevinden wij ons in een schitterend dal met een paar eenzame bomen in het midden. Maar; ‘What goes up, must come down!’, dus ook wij moeten weer naar beneden. Het is hier en daar een beetje glad en liggen we voor we het weten allebei ons op gat. Ditmaal was niet ondergetekende de kluns, maar nam Chris mij mee. Zitten we in hét tropische paradijs, zien wij nog kans eruit te zien als een stelletje zwijnen. De Seychellen zijn wonderbaarlijk groen en bijna alle eilanden hebben dan ook natuurlijke bronnen. Wij volgen zo’n stroompje en passeren een verlaten en buiten gebruik geraakt pomphuisje, waarbij Chris zich afvraagt – met het huidige watertekort in zijn achterhoofd – of zij zich dat wel kunnen permitteren. Het antwoord laat niet lang op zich wachten als wij even later een fabriekje passeren waar bronwater gebotteld wordt. Hier zal zich wel een ietwat grotere pomp bevinden. De naam van de fabriek doet ons wel beseffen dat wij niet op de goede route zitten. In plaats van de Salazie track zijn wij de Pasquiere track aan het lopen; de kortere wandeling. Eenmaal terug in de bewoonde wereld besluiten wij daarom niet van hiervandaan de bus terug te pakken, maar 2 kilometer oostelijker alsnog de Salazie track terug over het eiland te lopen. Het is nog vroeg genoeg en we hebben ook nog water genoeg. Het zijn wel 2 erg lange kilometers en het is weer even gissen naar het juiste pad landinwaarts. De weg vragen helpt niet echt en een fietser oppert dat het veel handiger is om de bus te nemen. Wij willen echter lopen en hebben we voor ons gevoel het juiste pad gevonden, kan het klimmen weer beginnen. En houdt het asfalt eenmaal op; beginnen we aan een échte jungletocht!
Ik zeg het nogmaals; ongelooflijk hoe dicht de begroeiing is op dit relatief kleine eiland. Soms is het pad bijna helemaal overwoekerd en mag het achteraf een wonder heten dat we niet verdwaald zijn! Alleen snappen we niet dat we maar blíjven klimmen? Sturen ze ons via de hoogste ‘berg’ van het eiland soms? Uiteindelijk zien we weer bekend terrein en bevinden we ons bóven dat schitterende dal met die eenzame bomen, waar hij op de heenweg vanaf de andere kant tegenop keken. Zei ik al dat het hier schitterend is?
En dan komen we bij de splitsing van de Pasquiere- en de Salazieroute. Geen wonder dat wij die komende vanuit de andere richting niet konden vinden; een paar platgetreden struiken en de vage aanduiding van een pad. That’s all! Een ding is zeker, vaak wordt hier niet meer gelopen; misschien zijn de mensen van de waterleiding wel de enigsten die er nog gebruik van maken en natuurlijk andere dwaze toeristen.
Met de bus gaat het weer terug naar ‘huis’. Net als op Sri Lanka rijden hier Tatabussen, alhoewel ze een formaatje kleiner zijn en het soms knap zwaar hebben met 30% hellingen en adembenemende haarspeldbochten. Wij vragen ons af hoe een bedrijf kan draaien van 3 rupees per persoon, ongedacht de afstand en duur van de rit? Het is hoogstwaarschijnlijk ook een staatsbedrijf, met duidelijk personeelstekort, want in iedere bus hangen grote affiches die vrouwen ertoe willen overhalen het schitterende beroep van buschauffeur te kiezen. Op de heenweg reden we via Anse (anse betekent overigens strand, alhoewel ik mij nu zit te bedenken dat het ook baai kan betekenen!) Consolation, maar terug rijden we echter niet langs de kust maar door de Vallee de Mai en ik verheug mij nu al op onze wandeling van maandag door dit natuurpark. Wat een vegetatie en wat een enorme planten!
Vanavond eten we in de Oganibar, waar we op aanraden een tafeltje hebben gereserveerd, want het kon wel eens druk worden met jachtenschippers. Nu liggen er inderdaad wel enkele jachten voor anker in de baai, maar die eten vanavond waarschijnlijk allemaal aan boord, want het is allesbehalve druk. De Oganibar heeft meer weg van een restaurant bijvoorbeeld bij Agnes in Villa Mon Reve, maar of het nu beter was? Chris kan in ieder geval eens wat anders dan vis eten. Bijna viel het eten in het water, want het ging uiteindelijk tóch nog hard regenen. Een attente hotelbediende kwam een paraplu brengen. En alhoewel wij niet in het hotel zelf eten, hebben wij de plu toch aangenomen. Wij hadden Agnes beloofd de vingers gekruist te houden voor regen en zien vanaf ons balkon de buien over of in ieder geval langs La Digue trekken. Hopelijk brengt de regen naast water ook wat verkoeling.
Alhoewel wij op de radio iets hoorden over ‘thunderstorms’ is het weer de volgende morgen weer aardig bijgetrokken vertrekken wij met de bus in noordelijke richting naar Mon Plaisir helemaal aan de andere kant van Praslin. Daar wandelen we een half uurtje alwéér dwars over het eiland richting Anse Lazio. Op een kruising waar we kunnen kiezen tussen eerdergenoemd Anse Lazio en een ander – vast ook erg mooi – strand, staat een simpel huis op een minder simpele locatie. Hoog boven de zee met aan iedere kant een wit strand en omringd door een weelde aan bloemen. Hier is het prachtig wonen! Onderweg naar beneden komen wij de eigenaars waarschijnlijk tegen, net terug van hun dagelijkse vistochtje. Een dag zonder rijst en vis is een slechte dag voor de Seychellois. Vis zit hier in ieder geval genoeg!
Anse Lazio moet een van de fijnste stranden van de Seychellen zijn. Hmmm, het zand is inderdaad zéér fijn, de baai helemaal echt, maar het strand op Sister Island vond wij toch meer je van het! Door mijn constant afdwalen van onze eigenlijke belevenissen, is dat schitterende strand een beetje tussen wal en schip geraakt, maar heeft óns niettemin geraakt.
Terug naar Anse Lazio, waar voldoende palmbomen zijn voor de nodige schaduw en het water fris genoeg om de mens te verfrissen. Zelfs de meest verstokte echtelieden zouden hier weer fruitig en verliefd kunnen worden en de om elkaar's nek hangende paartjes zijn niet van de lucht. Zouden wij het enigste stel zijn, niet bezig met de wittebroodsweken? Wij hangen echter dapper mee, wanneer wij 2 bekenden over het strand zien lopen; Daniel en Mirjam op hun Praslin-in-one-day-tour. Na een korte bijpraatsessie wensen we elkaar weer tot ziens op het vliegveld en raden hen nog even het restaurant Bon Bon Plume aan voor een lekkere lunch, waar wij ons uiteraard een tijdje later ook heen begeven. En het is tobben, maar bij gebrek aan krab en octopus eet ik maar kreeft! Je moet toch wat!
We hebben toch nog even een babbeltje met Daniel en Mirjam over de bustijden; tenslotte is het vandaag zondag en rijden niet álle bussen, maar achteraf hebben zij de bus nog nét gehaald en zitten wij zo lang te tafelen dat we de bus missen en nog een tijdje moeten wachten. Tijd hebben we echter genoeg, want we hebben besloten na de copieuze lunch van zo-even vanavond op onze kamer een beetje te snacken met een flesje Smirnoff en het restje wijn. Misschien dat Chris dan eindelijk een sudoko opgelost krijgt en ik het dagboek bijgewerkt. Sudoko ja, dagboek nee!!
Onze laatste dag op Praslin hebben wij gereserveerd voor Vallee de Mai; een van de slechts twee plekken op aarde (de andere plek is het naburige eiland Curieuse) waar de befaamde Coco de Mer groeit; een kokosnoot in de vorm van twee stevige billen en dat terwijl het mannelijke deel van de vrucht de vorm van een enorme fallus heeft. Geen wonder dat buiten zijn zeldzaamheid de Coco de Mer een veelbesproken plant is.
[even een kort resumé tussendoor van de afgelopen dagen, want terwijl ik nog over de Coco de Mer bezig ben – die wij afgelopen maandag zagen – zitten we inmiddels al bij Auberge Anse Boileau op Mahe. We kwamen hier gisteren aan en maakten een tochtje langs de kust naar het zuiden en vandaag (woensdag) hebben wij twee wandelingen gemaakt in het Nationaal Park Morne Seychellois.]
We zitten in de tropen, dus moet je niet opkijken van een buitje – zeg maar bui – en vandaag zijn we dus letterlijk weg geregend van het strand. Ook in de Vallee de Mai kregen we wat buitjes over ons heen, maar de bladeren van de Coco de Mer zijn zo gigantisch; daar kun je bijna met de hele familie onder schuilen. Wat een aparte plant! Een overblijfsel uit de oertijd? En waarom komt hij alleen hier en op Curieuse voor? De Seychellen zaten vroeger vast aan Afrika en brokkelden – evenals bijvoorbeeld Madagaskar – af van het continent. Madagaskar heeft daarom zijn lemuren en Praslin zijn Coco de Mer met de daarin levende endemische zwarte papagaai, die wij waarschijnlijk mede dankzij zijn kleur niet gezien hebben. Evenals de gifgroene kikkertjes, die ook aardig gecamoufleerd zijn in dit groene dal.
Ik had het lumineuze idee Vallee de Mai voor maandag te bewaren met het idee dat het dan vast minder druk zou zijn. Hadden meer mensen dat idee? Echter, kort voorbij de ingang zijn we weer zo goed als alleen en kunnen alles op ons gemakje bekijken en ontdekken. En schuilen voor de regen dus! We gebruiken dan ook iets meer tijd dan staat voor de wandeling, maar het is nog steeds heerlijk vroeg wanneer wij weer op de bus stappen richting Cote d’Or voor een echt Italiaans ijsje. Het regent echter nog steeds en in de bus wordt dat regenen gieten, zodat wij even schuilen bij een pinautomaat. De Italiaanse ijssalon blijkt 7 regendruppels verder aan het renoveren te zijn, dus no ice, maar een tijdje later wel een lekkere lunch. We missen net als gisteren wel weer menige bus en krijgen uiteindelijk een lift van een schoolbus, die ons echter midden in het dorp La Passe afzet, zodat we nog een lekkere wandeling voor de boeg hebben. We lopen langs het restaurantje L’Espadon, waar we voor vanavond een tafeltje gereserveerd hebben. Of liever gezegd een maaltijd, want als niemand zich aankondigt om te komen eten, wordt er ook niet gekookt en wij moesten dan ook al een kleine bijdrage betalen, die gebruikt wordt om de nodige aankopen te doen. We krijgen het creoolse lijfgerecht; vis en kip met rijst, maar hebben wel gevraagd het een beetje spicy te maken. Maar dat is vanavond; eerst gaan we nog lekker op ons balkonnetje genieten van het uitzicht.
Straatverlichting hebben ze ook op Praslin (bijna) niet, dus lopen we het (eveneens bijna) roetdonkere weggetje af. Hetzelfde steile weggetje dat wij twee dagen geleden geheel onnodig met de taxi gereden hebben, terwijl Cote Mer op loopafstand van de jetty ligt, zelfs met zware rugzakken. Aangekomen bij L’Espadon zijn wij inderdaad – zoals vermoed – de enigste eters. Zij koopt dat in wat zij nodig heeft en heeft niet gerekend op mijn bestelling van een fruitcocktail vooraf, maar zij maakt er op ingenieuze tóch iets leuks van nadat zij er zich uitgebreid voor verontschuldigd géén vers fruit in huis te hebben. Toch verdwijnt er verse banaan en wat vruchten uit blik in de blender en komt er iets lekkers fris uit!! Ook de vis en kip is prima en alhoewel nog niet écht spicy begint dit erop te lijken en is er zelfs ijs toe.
Tijdens de maaltijd verbazen wij over het aantal auto’s dat voorbij komt rijden; het wegennet van Praslin is zeer beperkt, maar toch rijdt er hier een zwarte auto rond die dreunt van de bassen op de maat waarvan onder op en in de auto blauw neonlicht knippert.
Vanavond is het ook nog koffers pakken voor onze verhuizing morgenvroeg naar Auberge Anse Boileau op Mahe. Als alles klopt staat er bij de Cat Coco een autootje voor ons klaar en zijn we het voor het het weten weer op ons volgende stekje. Tijdens de overtocht zien we nog twee dolfijnen en ontdekken nóg steeds nieuwe eilanden of eilandjes of soms zelfs maar een paar rotspunten. Edo en Joanne hadden hier genoeg te ontdekken, alhoewel zij wel een beetje uit de ‘boot’ vielen met hun ‘gewone’ zeilboot. Er varen hier bijna alleen catamarans rond en volgens ons is dat niet onverstandig. De ‘gewone’ zeilboten zien wij de gehele dag liggen te schommelen achter het anker, terwijl de catamarans nagenoeg stil liggen. Maar staat hier überhaupt wel vaak genoeg wind om lekker te kunnen zeilen of is dat hier maar bijzaak??
Inderdaad staat er op Mahe een autootje op ons te wachten van verhuurbedrijf Petit; hetgeen ook voor het autootje geldt. En ook inderdaad zijn we niet veel later – danig onder de indruk van de boven ons oprijzende bergen – alweer geïnstalleerd in de Auberge van Monsieur Plume. Een heel gezellig hotelletje met een lekker lichte en ruime kamer en badkamer. De stoeltjes buiten zijn alleen iets té gemakkelijk, maar zien er charmant uit. Ooit was Chez Plume als restaurant een begrip op Mahe en we gaan eens ontdekken of dat nóg zo is!! Maar vanavond pas; eerst nog even wat zand happen op misschien weer wat oogverstuikende strandjes. En inderdaad is Anse Takanaka ook weer mooi en voor we het weten zitten we met wit zand tussen de tenen achter een heerlijke cocktail met zicht op die azuurblauwe zee. Het kan slechter!!
Na alweer een lekkere lunch – we hoopten eigenlijk af te vallen met bijna alleen rijst met vis op de menukaart – gaan we nog verder naar het zuiden in de hoop het zuidelijkste puntje van Mahe te kunnen bereiken, waar je zou kunnen snorkelen met zichtkans op haaien en barracuda. Wij zien ons echter opeens geconfronteerd met een gesloten hek en keren terug naar een ruig – alweer – schitterend strand, waar echter niet gesnorkeld kan worden. Alleen even zon happen en genieten van de ruige golven die stukslaan op even ruige rotsen. We eindigen onze strandexpeditie naast een of ander luxeresort Maia genaamd. De appartementen tegen de berg gegroepeerd zien er enorm uit en zijn ieder voorzien van een privézwembad. Of Maia is zo duur dat er bijna geen bezoekers zijn óf iedereen maakt gebruikt van zijn privé-zwembad, want het strand is nagenoeg verlaten. Onze enigste medestrandgenoot is een Fransman die – zo ontdekken wij later – naast ons zit in de Auberge. Hij is een fanatiek snorkelaar en wijst ons erop dat verderop bij de rotsen het goed snorkelen is. Ik doe een poging, maar door de regen is het zicht zo slecht dat ik bij de eerste de beste flink uitgevallen vis, die onverwacht voor mij langs zwemt, met kloppend hart rechtsomkeert maak. Waarom vinden we snorkelen enger dan duiken? Dat is toch vreemd!
Terug in Anse Boileau draperen wij ons neer in die wel heel gemakkelijke stoelen en horen door de struiken door het restaurant volstromen. Wij hebben veiligheidshalve ook een tafeltje besproken en dat blijkt niet overbodig. Het is hier een populaire gelegenheid en voor het eerst vind ik ook de vermaande krab met gember op de kaart. Die moet uitgeprobeerd worden en als Chris al lang en breed uitgegeten is, zit ik nog te peuteren en genieten van een overheerlijke krab. Ik zit wel tot achter mijn oren onder het eten en ook de tafel is een ravage, maar lekker is het!! En als Chris zijn profiterolles zijn opgediend, is al zijn lange wachten weer vergeten. Volgens mij blijven we hier de volgende avonden ook maar gewoon eten. Ergens anders zal de menukaart er niet veel anders uitzien en er staan hier genoeg interessante dingen op de kaart om ons nog een paar avonden bezig te houden. En ook hier hebben ze nog niet van straatverlichting gehoord. We hebben nu weliswaar een autootje tot onze beschikking, maar de wegen zijn hier soms smal en van vangrails hebben ze nog nooit gehoord. Ik zit soms uit mijn raampje in een vreselijke diepte te kijken, hopend dat Chris lekker tegen de middenstreep aan blijft rijden. Overigens voor het eerst rijdend in een auto met de besturing rechts, hetgeen volgens hem toch een beetje wennen is en gelukkig zitten de pedalen wél hetzelfde als in een ‘gewone’ auto. Wel wordt er vaak ruiten gewist in plaats van geknipperd, maar knipperen doen ze hier niet echt aan dus dat valt helemaal niet op.
De volgende dag besluiten we om het Nationale Park Morne Seychellois te gaan verkennen. Volgens de eigenlijk al wat te oude Planet begint er een stukje voor de theeplantage een mooie wandeling. De theeplantage is snel gevonden, alhoewel wij meer oog hebben voor de hoog boven ons oprijzende rotswand, maar alle paadjes in de buurt van de theeplantage leiden naar een privé-huis. Dus rijden we maar verder op de kronkelweg door het park en ontdekken net voorbíj de theeplantage een andere wandeling. Een wandeling van slechts 1 kilometer, maar waarbij we wel een hoogteverschil van 300 meter moeten overbruggen. Zou dat ons bovenop die indrukwekkende rotswand brengen? Ik voelde me een beetje dwaas om op bergschoenen naar de Seychellen te vertrekken, maar ze zijn toch niet overbodig. Hoe het sommige mensen lukt om op een paar slippertjes veilig op en af sommige bergen te komen, is mij altijd al een raadsel. Wij staan echter stevig in de schoenen, hetgeen niets afdoet aan de moeite die het ons kost die 300 meter te klimmen. Het loont echter de moeite, want boven hebben wij na een ontmoeting met een aanvallend slangetje een schitterend uitzicht over de westkust van Mahe. En wij blíjven ons verbazen over de dichte begroeiing op deze eilanden. Wij hebben ons nog nooit zo’n weg door het groen moeten banjeren als bijvoorbeeld enkele dagen geleden op Praslin en ook nu krijgt ik weer de neiging “In the jungle” te gaan neuriën. Terug beneden zijn we bezweet, maar voldaan en aangezien de dag nog steeds erg jong is, vervolgen we onze weg door het Park en stoppen bij een volgende wandeling. Een hele korte en hele makkelijke deze keer; het betreft hier de tuin en ruïnes van een voormalige missiepost, waarbij het uitzicht echter weer de boventoon voert en Chris vindt dat we hier maar een huisje moeten laten bouwen.
In dit park moeten zich ook vleesetende planten bevinden en op een kaart aan het begin van voornoemde wandeling ontdekken wij dat een eindje verderop alweer een wandeling begint, waarbij onderweg vleesetende planten gezien kunnen worden. Natuurlijk voert ook deze wandeling weer bergop, maar deze keer is het hoogteverschil iets minder en is het iets minder steil. Toch handig dat ik wandelstokken meegenomen heb en ze hoog en droog in de rugzak laat zitten!! Maar een stok is bij deze wandeling niet nodig; Chris biedt waar nodig altijd een helpende hand en hier en daar zijn kettingen gespannen om ons de rotsen op en af te helpen. En naast alweer een uitzicht – iets minder mooi deze keer, want nu blikken wij ook op het vliegveld, de haven met belendende industrie en Eden Island (een opgespoten stuk land ten behoeve van de rijken onder ons) – zien we inderdaad volop vleesetende planten. Zouden ze ook mensenvlees lusten?
Natuurlijk is een dag op de Seychellen niet compleet zonder lunch en strand. Voor de lunch hadden wij eigenlijk het idee de botanische tuin te bezoeken, maar we kopen uiteindelijk wat lekkere hapjes in een klein winkeltje en zitten die ergens op een stoepje lekker op te peuzelen, waarna wij richting het strand vertrekken. Oerwoud, stranden en ja; ze hebben ook een waterval op Mahe. Bij iemand in de achtertuin; dus moeten er een paar rupees betaald worden en een gastenboek getekend en kun je een kijkje nemen bij een heuse waterval, die na de regen van de afgelopen dagen flink wat water geeft. Wat een idyllisch plekje!!
En ook idyllisch is het strand, waar de ondergaande zon alles in een gouden gloed zet. Maar helaas is het snorkelen weer minder. We eindigen de dag natuurlijk bij Chez Plume, waar het vanavond alweer druk is en Chris alweer zijn maaltijd afsluit met profiterolles.
Tijdens onze rit door het nationale park ontdekten wij nóg een wandeling het park in; een wandeling van 8 kilometer deze keer. Dus op onze voorlaatste dag op de Seychellen trekken wij nogmaals de stoute schoenen aan en trekken de jungle in. Ver komen wij echter niet; de regen van de afgelopen dagen heeft er een écht natte bedoeling van gemaakt en wij hebben eigenlijk geen zin tot de enkels in de prut te lopen, want na een fikse klim dalen wij steeds verder af en iedere stap naar beneden brengt meer nattigheid. Dus maken wij rechtsomkeert en gaan proberen ergens in het zuiden de “ Jardin du Roi” te vinden; een schijnbaar schitterende kruidentuin. Wat wij echter ook vinden geen “ Jardin du Roi”, maar de zoektocht leidt ons wel over smalle weggetjes die schijnbaar nergens toe leiden de binnenlanden in. Uiteindelijk komen wij weer uit aan ‘onze’ kant van het eiland en besluiten we te gaan lunchen op alweer een mooi strand; Petite Anse. We hebben al ontdekt dat ze op ieder eiland een ‘ Grand Anse’ en een ‘Petit Anse’ hebben; het grote strand en het kleine strand. Chris heeft al aangekondigd na de vakantie voorlopig geen vis meer te willen zien en maakt vandaag de ongelukkige keuze van tonijn. Dat doen ze daar een godsnaam mee? Een verse moot tonijn bakken, moet toch geen probleem zijn. En verse tonijn zit er hier genoeg. Er staat niet voor niets een grote tonijnverwerkingsfabriek op Mahe. Zijn de schappen in de supermarkten soms leeg; blikjes tonijn staan er altijd genoeg.
Na de lunch doen we tóch weer een snorkelpoging en ontdekten zowaar een hele strook koraal die weer langzaam blauw begint te worden. Hoe lang zal het duren voordat het er hier weer zo kleurrijk uitziet als voor El Niño? Het zicht is gelukkig wat beter dan tijdens onze eerdere snorkelpogingen, maar de eerste paar meter zwem je nog steeds met kloppend hart door een wazige wereld. De golfslag is dan ook behoorlijk en ik krijg dan ook bij het water ingaan gelijk een plons zeewater te verwerken. Het blijft vreselijk zout!
Dan gaat het regenen écht regenen en blijkt het niet zo handig om onze auto bovenaan de weg te hebben laten staan. Nu loopt Chris op blote voeten en in zijn zwembroek de weg terug – en omhoog natuurlijk – om de auto op te gaan halen. Want wij zijn weliswaar al nat na het zwemmen, maar we willen de overige spullen toch een beetje droog houden. Ik schuil intussen bij het restaurantje en sta hoofdschuddend te kijken naar alle schitterende schelpen die hier tentoongesteld en verkocht worden. Ligt er straks überhaupt nog wat levends op de zeebodem. Niet kopen dus!!
Nat en klam komen we terug op ons stekkie en zoals dat altijd gaat in de tropen, schijnt even later de zon weer en zitten wij lekker te relaxen op ons terrasje. Ik heb Harry Potter deel zoveel bijna uit en Chris begint langzaam ook verslaafd te worden aan de Sudoko. Ook kletsen wij nog even met onze Franse buurman die wij vandaag ook alweer op hetzelfde strand zijn tegengekomen en deze blijkt anderhalf uur aan een stuk gesnorkeld te hebben. Toen wij vertrokken van Petit Anse was hij in geen velden of wegen te bekennen en ergens achter een paar rotsen aan het zwemmen en wij maakten ons tóch een beetje ongerust. Hij heeft een waterdichte box voor zijn digitale camera en laat ons een filmpje zien van een schildpad die hij vandaag heeft gezien. Zou het niet nog mooier zijn om een schildpad het strand op te zien komen om zijn eieren te leggen. Het schijnt nu daarvoor de juiste tijd te zijn!
Morgenvroeg moeten wij nog een keertje verhuizen, want helaas had Monsieur Plume geen plaats meer voor onze op onze laatste nacht op de Seychellen. Zoals gewoonlijk zijn de tassen weer zo ingepakt en voor we het weten zijn we onderweg naar de noordkust; naar Beau Vallon, het meest toeristische strand van de Seychellen. Wij rijden door de hoofdstad Victoria en nemen de hele noordelijk kustroute mee en blijven ooh-en en aah-en bij alweer door rotspartijen omzoomde strandjes. Als wij het Hilton hotel passeren, vraagt Chris zich af op Paris misschien aanwezig is, maar dat blijft een vraag.
Het is even zoeken naar Daniëlla’s Bungalows, maar dan is ook dit mooie stekkie gevonden. Wat jammer dat we hier maar een nacht verblijven! Na twee buitenlandse ‘guesthouses’ komen we nu weer bij een creoolse terecht en staan volgens mij bij haar in de huiskamer gezellig te kletsen. Wanneer wij haar vragen naar een perfecte eetgelegenheid om onze vakantie af te sluiten, verwijst zij ons naar het Italiaanse restaurant ‘La Scala’, maar geeft ons weinig kans daar vanavond nog een tafeltje te kunnen krijgen. Dat zien we vanavond wel; eerst gaan we shoppen in Victoria. Tenslotte heb ik mijn lepeltje en Chris zijn vlag nog niet. Victoria is de hoofdstad van dit eilandenrijk en ook de enigste échte stad. 80% van de inwoners van de Seychellen woont in deze stad en een paar minuten in de auto kan al een paar ministeries en ambassades opleveren. Vooral de ambassade van China valt hierbij op. Agnes vertelde ons vorige week dat zij heel erg van shoppen houdt en een paar maal per jaar naar bijvoorbeeld Singapore of Durban reist, louter óm te shoppen. Zij vertrekt met lege koffers en komt vol afgeladen terug. Wij vroegen ons toen af – voornamelijk Chris – waarom zij niet gewoon in Mahe bleef om te shoppen. Dat blijkt al gauw; een ‘fervent verwende’ shopper is hier zo uitgekeken. Weliswaar heeft Victoria een leuk centrum met een gezellig marktje; veel winkeltjes zijn afgestemd voor de toerist, de enigste grote supermarkt die wij zien heeft vooral veel lege schappen en écht veel kledingwinkels of schoenenzaken zijn er niet. Ik kan mij voorstellen dat Agnes zo nu en dan Singapore het Walhalla vindt; ik kan mij herinneren dat wij er in een winkelcentrum rondliepen en ons afvroegen hoe groot en waar we er in ’s hemelsnaam weer uitkonden.
Het marktje schijnt enige jaren geleden weer nieuw leven ingeblazen te zijn, nadat het was verworden tot een toeristische attractie. Nu kunnen de inwoners van Victoria zelf er weer hun verse vis en groenten en fruit halen. Te zien naar de overal overvloedig aanwezige pepers hebben wij nog niet van de écht pikante kant van de creoolse keuken mogen genieten. En wat de vis betreft; de mensen hebben hevige concurrentie van de vogels; die echter geduldig wachten tot er voor hen een lekker hapje afvalt. Wij kopen hier bast van de kaneelboom – voor onder andere stoofpeertjes – en een jam van een inheemse vrucht.
Voor de lunch komen wij terecht in de ‘hotspot’ van de stad; kantoormensen lopen af en aan voor een snelle lunch en het is er een gezellig drukke boel. Maar onze eigenlijke doelen voor een bezoek aan Victoria zijn nog niet bereikt; een lepeltje en een vlag. Een lepeltje worden er uiteindelijk twee, want kort nadat we in een boekenwinkel een ietwat lelijk lepeltje hebben gekocht – de enigste andere keus was er een met een afbeelding van de paus!!! – komen wij in een schitterend juwelierszaakje terecht waar ze hele mooie zilveren lepeltjes hebben met de Coco de Mer. Dan maar twee lepeltjes en ook twee Cocos de Mer. Eentje om mee te roeren en eentje rond mijn nek. Chris zijn vlag is minder snel gevonden, maar de ‘Tourist Info’ verwijst ons ten slotte naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en die weten we te vinden. Daar vlak in de buurt hebben we van de week nog zitten lunchen op een stoepie. Chris wordt officieel binnengehaald en ingeschreven en mocht hij een grote vlag willen dan moet hij nog een weekje wachten. Helaas zitten wij volgende week alweer in het koude Nederland. À propos koud; in ons huisje bij Daniëlla zit airco, maar om die te kunnen gebruiken moeten we een paar euro meer betalen. “Niet nodig, hebben wij haar verzekerd. Wij vliegen morgen terug naar ons oude kikkerlandje en kunnen alle warmte gebruiken.
Terug ‘thuis’ zetten wij ons lekker neer op ons terrasje en proberen het restaurant ‘La Scala’ te bereiken ons onze vakantie in stijl af te sluiten. Voor ons stadsbezoek zijn wij er al even langsgereden om eventueel te reserveren en de menukaart te bekijken, maar toen was er niemand te bekennen. Nu krijgen wij iemand te pakken – de eigenaresse blijkt later – die nog één tafeltje vrij heeft, maar zich uitvoerig verontschuldigd over het feit dat het ‘slechts’ een tafeltje in het midden is. So what!
De laatste zonsondergang op de Seychellen willen wij niet verbrengen op ons terras, maar op het strand van Beau Vallon, waar in de verte het eiland Silhouette ligt te schemeren. De zonsondergang is niet spectaculair, maar voor het eerst zien we meer dan 40 mensen verzameld op één strand. Beau Vallon is dan ook het populairste – alhoewel lang niet het mooiste – strand van deze eilandengroep en hier zien wij ook voor het eerst jetski’s en aanverwante artikelen. Met een zucht vertrekken wij van ons laatste strandje en doffen ons voor het eerst in 14 dagen een beetje meer op dan normaal en vertrekken richting ‘La Scala’ voor ons laatste avondmaal.
©2008 ms-cheyenne